X is buiten gemeenschap van goederen gehuwd met de erflater, die in 2018 overlijdt. De erflater houdt 100% van de aandelen in X BV. Na het overlijden verkrijgt X de volle eigendom van de aandelen krachtens de wettelijke verdeling. In de aangifte IB/PVV 2018 van de erflater geeft X geen fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang aan en kruist het verzoek om geruisloze doorschuiving niet aan. In de aangifte IB/PVV 2020 geeft X een verkrijgingsprijs van € 274.507 op. De inspecteur stelt de verkrijgingsprijs vast op € 18.151, het gestorte en geplaatste aandelenkapitaal per 1 januari 2018. Partijen bevestigen dat X BV ten tijde van het overlijden geen materiële onderneming dreef.
In geschil is of de doorschuifregeling van art. 4.17a Wet IB van toepassing is en X recht heeft op een verhoogde verkrijgingsprijs van de aandelen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de doorschuifregeling niet van toepassing is. Sinds 2015 bestaat de mogelijkheid om in de aangifte een verzoek om geruisloze doorschuiving aan te kruisen. X heeft dit nagelaten in de aangifte 2018 van de erflater, terwijl zij dit had kunnen en moeten doen. Een impliciet verzoek is daarmee niet aan de orde. Daarnaast drijft X BV geen materiële onderneming, zodat ook aan deze constitutieve voorwaarde niet is voldaan. De inspecteur heeft de verkrijgingsprijs terecht vastgesteld op € 18.151. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.17A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.21
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.22
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.39A
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 17 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag