Hof Den Haag beslist dat er geen sprake is van schending van de hoorplicht. Het is niet aan de inspecteur te wijten dat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden.

X verricht sinds 2010 interim-managementwerkzaamheden. Sindsdien geeft hij ieder jaar een verlies uit onderneming aan. In 2014 weigert de inspecteur aftrek van dit verlies, omdat er volgens hem geen sprake is van een bron van inkomen. X maakt bezwaar, maar de inspecteur verklaart dit ongegrond zonder X te horen. In een eerdere uitspraak wijst Hof Den Haag de zaak daarom terug naar de inspecteur voor een hernieuwde behandeling. Bepaald wordt dat tegen de nieuwe uitspraak op bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij dit hof. Na terugwijzing nodigt de inspecteur X per aangetekende brief tevergeefs tot viermaal toe uit om een afspraak te maken voor een hoorgesprek. Omdat een datumvoorstel van de zijde van X uitblijft, nodigt de inspecteur X uiteindelijk bij aangetekende brief van 9 oktober 2019 uit voor een hoorgesprek. X reageert niet. Het bezwaar wordt uiteindelijk ongegrond verklaard. X komt in beroep.

Volgens Hof Den Haag is er geen sprake van schending van de hoorplicht. Het is niet aan de inspecteur te wijten dat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft voldoende inspanningen verricht om, na terugwijzing van de zaak, een hoorzitting met X te realiseren. Het hof beslist verder dat er geen sprake is van een bron van inkomen. X maakt een objectieve voordeelsverwachting niet aannemelijk. Het verlies uit onderneming is terecht gecorrigeerd.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Algemene wet bestuursrecht 8:113

Wet inkomstenbelasting 2001 3.2

Algemene wet bestuursrecht 6:22

Algemene wet bestuursrecht 7:2

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Instantie: Hof Den Haag

Editie: 26 maart

1

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen