Hof Amsterdam oordeelt in hoger beroep dat het salaris van de heer X niet reeds vóór 2014 vorderbaar en inbaar was, aangezien de werkgever weigerde het salaris te betalen. Van inbaarheid in de zin van art. 3.146 Wet IB 2001 is slechts sprake als aannemelijk is dat op eerste verzoek onverwijld een betaling zal plaatsvinden.

De heer X wordt in 2004 ontslagen door zijn werkgever. Na diverse procedures betaalt de werkgever in oktober en november 2014 alsnog in totaal € 472.380 aan hem uit. Op dit loon is € 244.380 loonheffing ingehouden. Het bezwaar van X tegen de IB-aanslag over 2014 is niet-ontvankelijk verklaard (17/00586). Het latere verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag is afgewezen (19/00089). Volgens Rechtbank Noord-Holland is het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, maar blijft de aanslag in stand. Het verzoek tot ambtshalve vermindering wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard. X stelt in hoger beroep onder meer dat hij extra inkomstenbelasting is verschuldigd dan bij normale maandelijkse betalingen.

Hof Amsterdam oordeelt dat het salaris niet reeds vóór 2014 vorderbaar en inbaar was, aangezien de werkgever weigerde het salaris te betalen. Van inbaarheid in de zin van art. 3.146 Wet IB 2001 is slechts sprake als aannemelijk is dat op eerste verzoek onverwijld een betaling zal plaatsvinden. X maakt ook niet aannemelijk dat het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel van het EVRM zijn geschonden. Zo stelt X vergeefs dat de belastingvrijstelling voor het staatshoofd niet voor hem geldt. Het staatshoofd en X zijn namelijk geen gelijke gevallen, zodat het tussen hen beiden gemaakte onderscheid geen discriminatie is. Het beroep van X is ook voor het overige ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 14

Wet inkomstenbelasting 2001 3.146

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Instantie: Hof Amsterdam

Editie: 7 juni

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen