Het kabinet handhaaft het voornemen om per 1 januari 2028 een vermogensaanwasbelasting in box 3 in te voeren. Een bevrijdende bronheffing naar Duits model voor kapitaalinkomsten bij financiële instellingen wordt nadrukkelijk van de hand gewezen. Dat staat in de nota naar aanleiding van het tweede verslag Wet werkelijk rendement box 3 die Staatssecretaris Eerenberg van Financiën naar de Eerste Kamer heeft gestuurd.

Tegelijkertijd verkent het kabinet een verdere doorontwikkeling naar een volledige vermogenswinstbelasting. Daarvoor bestaat volgens de staatssecretaris maatschappelijk en internationaal draagvlak, met name vanwege het belang van liquiditeit. Wel wordt in de beginjaren een aanzienlijke budgettaire derving verwacht.

Een alternatief in de vorm van een Duitse bronheffing acht het kabinet niet haalbaar. Zo zou dit een nieuw belastingmiddel vereisen, leiden tot uitvoeringsinefficiënties en complex zijn om te implementeren.

Ten aanzien van de systematiek geldt dat alle schulden die niet in box 1 of 2 vallen als box 3-schuld kwalificeren en aftrekbaar zijn. Dit omvat ook bepaalde eigenwoningschulden waarvan de renteaftrek in box 1 is uitgewerkt. Daarnaast wordt een kostenaftrek geïntroduceerd, met uitsluiting van gemengde kosten.

De vastgoedbijtelling acht het kabinet in lijn met art. 1 EP EVRM en het discriminatieverbod. Ook vastgoed voor eigen gebruik, zoals vakantiewoningen, wordt aangemerkt als inkomstenbron. De staatssecretaris reageert daarnaast uitvoerig op kritiek uit de literatuur (zie WFR 2026/118).

Het parlement ontvangt nog een hoofdlijnenbrief over de vormgeving van de vermogenswinstbelasting. Eventuele aanpassingen van het wetsvoorstel en de budgettaire dekking worden betrokken bij de augustusbesluitvorming.

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.1

[Nieuwsbron] [Nieuwsbron]

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscale wetsvoorstellen

Regelgevende instantie: Staten-Generaal

Editie: 17 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

15

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen