Rechtbank Gelderland oordeelt dat geen sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van art. 3.92 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001. De inspecteur maakt namelijk onvoldoende aannemelijk dat wordt voldaan aan alle elementen voor het bestaan van een maatschap.

X houdt de aandelen in A BV, dat op haar beurt weer alle aandelen houdt in B BV. Daarnaast is X enig bestuurder van stichting C. X is verder eigenaar van een villa-complex met 7 appartementen en een woon-zorgcomplex bestaande uit een hoofdgebouw en 48 appartementen. Vanaf 2014 vinden diverse transacties plaats en worden diverse overeenkomsten gesloten tussen X, de BV’s en de stichting met betrekking tot de exploitatie van de onroerende zaken. X verantwoordt de onroerende zaken in zijn IB-aangiften in box 3. Naar aanleiding van een boekenonderzoek stelt de inspecteur dat sprake is van een samenwerkingsverband in de zin van art. 3.92 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001. Hij legt daarom IB-navorderingsaanslagen op aan X omdat hij een aantal inkomensbestanddelen in box 1 had moeten aangeven in plaats van in box 3.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat geen sprake is van een samenwerkingsverband dat wordt gedreven voor rekening van een fiscaal transparant lichaam in de zin van art. 3.92 lid 1 onderdeel b Wet IB 2001. De inspecteur maakt namelijk onvoldoende aannemelijk dat wordt voldaan aan alle elementen voor het bestaan van een maatschap. De rechtbank overweegt daarbij dat een onderbouwing door middel van documenten of cijfers ontbreekt waaruit valt af te leiden dat partijen een gezamenlijk voordeel willen realiseren, wat dit gezamenlijke voordeel is en hoe dit vervolgens onderling wordt verdeeld. De rechtbank vermindert de (navorderings)aanslagen. Het beroep is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.92

Burgerlijk Wetboek Boek 7A artikel 1655

Instantie: Rechtbank Gelderland

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 25 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

12

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen