Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X recht heeft op aftrek van de BTW-voorbelasting. Er is namelijk geen sprake van een samenstel van handelingen dat iedere (economische) realiteit ontbeert. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

Belanghebbende, stichting X, is op 7 december 2011 opgericht. X heeft onder meer tot doel het voorzien in de gelegenheid tot sportbeoefening aan vereniging C en het ter beschikken stellen van een (hockey)sportaccommodatie in de gemeente Amerongen aan C. Vóór de oprichting van X stelde de gemeente de accommodatie ter beschikking aan C. X sluit met de gemeente Utrechtse Heuvelrug (de rechtsopvolger van de gemeente Amerongen) een overeenkomst met betrekking tot de verhuur van sportvelden aan X, voor € 10.000 per jaar. X verhuurt de velden aan C voor € 21.200. Vervolgens vestigt de gemeente een zelfstandig recht van opstal voor X op de bebouwde delen van het sportcomplex. X krijgt tevens een ‘bruidsschat’ van € 136.307 mee in verband met het achterstallige onderhoud van het complex. Naar aanleiding van een onderzoek legt de inspecteur btw-naheffingsaanslagen op aan X. Volgens de inspecteur is er namelijk sprake van verhuur van onroerend goed, en heeft X geen recht op btw-aftrek. Verder stelt de inspecteur dat er sprake is van misbruik van recht, omdat er geen verschil is met de voorgaande situatie, waarbij de gemeente Amerongen de velden ter beschikking stelde aan C. X stelt dat zij gelegenheid geeft tot sportbeoefening. Rechtbank Gelderland oordeelt dat X weliswaar gelegenheid geeft tot sportbeoefening, maar dat er sprake is van misbruik van recht. Volgens de rechtbank ontbeert de nieuwe situatie namelijk economische realiteit. De naheffingsaanslagen blijven daarom in stand.

Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N Vandaag 2019/1029) oordeelt dat X recht heeft op aftrek van de BTW-voorbelasting. Volgens het hof is er namelijk geen sprake van een samenstel van handelingen dat iedere (economische) realiteit ontbeert. Het hof wijst er daarbij op dat de juridische vormgeving overeenkomt met de feitelijke verschijningsvorm en economische realiteit. Verder heeft X voldoende juridische en feitelijke zelfstandigheid. Ook is er volgens het hof geen sprake van misbruik van recht. Volgens het hof is het namelijk niet in strijd met de BTW-richtlijn dat X een financieringsvoordeel behaalt, omdat het feit dat een belastingplichtige onmiddellijk en volledig wordt ontlast van de BTW die drukt op kosten en investeringen voor belaste handelingen inherent is aan het systeem van de BTW zoals dat in de BTW-richtlijn is neergezet. Ten aanzien van het tariefverschil merkt het hof op dat het de keuze van de Nederlandse wetgever is om een verlaagd BTW-tarief te hanteren voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening. Ook wijst het hof er nog op dat de opstal en de bruidsschat door het oprichten van X worden afgesplitst van C en dat X verantwoordelijk wordt voor het beheer en onderhoud van de opstal en het beheer van de van de gemeente ontvangen bruidsschat. Het hof vernietigt de naheffingsaanslagen, en draagt de inspecteur op om de BTW-teruggaaf te verlenen. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet op de omzetbelasting 1968 15

Besluit toelichting op de reikwijdte en toepassing van Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968 3

Wet op de omzetbelasting 1968 11

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Omzetbelasting

Instantie: Hoge Raad

Editie: 30 april

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen