X VOF doet aangifte BPM voor een auto en gebruikt een taxatierapport waarin de taxateur de auto op 6 mei 2022 opneemt. De RDW heeft de auto echter op 5 mei 2022 gekeurd waardoor dit moment als afschrijvingsmoment geldt. X VOF voldoet € 1940 aan BPM. De inspecteur accepteert de taxatiemethode niet omdat de fysieke opname na het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden en berekent de verschuldigde BPM op € 11.894. De inspecteur legt vervolgens een naheffingsaanslag op van € 9.954.
In geschil is of X VOF de taxatiemethode kan toepassen wanneer de fysieke opname van de auto na het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat art. 8 lid 4 onderdeel b Uitvoeringsregeling BPM vereist dat de fysieke opname uiterlijk op het afschrijvingsmoment plaatsvindt. De regeling biedt geen ruimte om een taxatierapport te gebruiken dat is opgesteld na dat moment, ook niet als dit één dag later is gebeurd. De rechtbank oordeelt dat deze uitleg niet in strijd is met enig rechtsbeginsel en dat X VOF geen omstandigheden heeft gesteld die toepassing van de taxatiemethode rechtvaardigen. De rechtbank oordeelt verder dat de inspecteur niet in strijd met het mandaatverbod handelt. De naheffingsaanslag blijft in stand.
Wetingang:
Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 8
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 10
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen
Editie: 21 mei
Informatiesoort: VN Vandaag