X en Y scheiden in 1998. Bij het echtscheidingsconvenant verzuimt Y een aantal kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule te melden. Y zet deze polissen vervolgens om in een lijfrenteverzekering die in de jaren 2006 tot en met 2015 volledig tot uitkering komt. In 2019 ontdekt X het verzuim. X en Y stellen in 2020 de waarde van de polissen op het moment van echtscheiding vast op € 304.668. X ontvangt € 152.334 van Y als haar aandeel in de verrekening. De inspecteur merkt dit bedrag aan als belastbaar inkomen uit werk en woning en legt een navorderingsaanslag IB/PVV 2020 op.
In geschil is of het bedrag dat X ontvangt ter verrekening van verzwegen lijfrentepolissen bij echtscheiding belast is als aangewezen periodieke uitkering in de zin van art. 3.102 Wet IB 2001.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat art. 3.102 lid 3 Wet IB 2001 duidelijk is. Een bedrag dat in het kader van echtscheiding wordt ontvangen ter verrekening van lijfrentepolissen waarvan de premies als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking zijn genomen, vormt een aangewezen periodieke uitkering die tot het belastbaar inkomen uit werk en woning behoort. Het tijdsverloop van meer dan twintig jaar en het feit dat de lijfrente-uitkeringen al aan Y zijn gedaan, doen daaraan niet af. Het bedrag blijft een ontvangst ter verrekening van de lijfrentepolissen. De navorderingsaanslag blijft in stand.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.100
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.102
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 16 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag