X houdt sinds de jaren ’90 een aandelenbelang van 9,72% in Y NV. In 2013 treedt Y NV in liquidatie en ontvangt X diverse bedragen van in totaal € 96.500. X verzoekt de inspecteur om de aanslag IB/PVV 2013 te verminderen in verband met een aanmerkelijkbelangverlies. De inspecteur wijst het verzoek af omdat X geen zicht verschaft op de verkrijgingsprijs van zijn aandelen in Y NV. De aanspraak van X op een aanmerkelijkbelangverlies kan dan niet worden gehonoreerd.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2025/47.1.1) oordeelt dat X de waarde in het economische verkeer per 1 januari 1997 van zijn aandelen in Y NV niet aannemelijk maakt. X geeft ter zitting namelijk meermalen aan dat hij dat bewijs, mede gelet op het lange tijdsverloop, niet zal kunnen leveren. Omdat de inspecteur en de rechtbank er ten onrechte van zijn uitgegaan dat X de verkrijgingsprijs moet aantonen, acht het hof het ook niet zinvol om het vooronderzoek te hervatten. Het hof wijst er daarbij op dat uit de wetssystematiek en de wijziging van het aanmerkelijkbelangregime per 1 januari 1997 volgt dat de waarde in het economische verkeer per 1 januari 1997 van belang is en niet de (nog oudere) verkrijgingsprijs. X gaat in cassatie, maar motiveert het beroep te laat. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.36
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.47