X BV verhuurt kansspelautomaten aan gelieerde vennootschappen die speelautomatenhallen exploiteren. X BV beschikt over een vergunning voor het exploiteren van de automaten en is aldus belastingplichtig voor de kansspelbelasting (KSB). Voor juli 2008 tot en met december 2016 zijn hiertoe aangiften gedaan en wegens de deels niet tijdige voldoening zijn naheffingen gevolgd. Volgens Rechtbank Den Haag is de KSB geen verboden heffing in de zin van art. 401 BTW-richtlijn, omdat zij niet de vier essentiële kenmerken van een omzetbelasting bezit. X BV is gaat in hoger beroep.
Hof Den Haag oordeelt dat de KSB geen belasting is die op een vergelijkbare wijze als de BTW op handelstransacties drukt. Het fiscale neutraliteitsbeginsel is daarom ook niet van toepassing. Het discriminatieverbod is niet geschonden, ondanks dat exploitanten van speelautomatenhallen wel onder de heffing van de KSB vallen en exploitanten van speelgelegenheden niet. Een verschil is dat de speelautomaat in speelgelegenheden uitkeert met muntjes of tokens, die kunnen worden omgewisseld in een prijs en de speelautomaat in speelautomatenhallen uitkeert in geld. Verder is geen sprake van verboden staatssteun, een individuele en buitensporige last of strijd met algemene beginselen van behoorlijke wetgeving. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten artikel 26
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 1
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Kansspelbelasting, Europees belastingrecht
Editie: 23 juli
Informatiesoort: VN Vandaag