De toekenning van het recht om certificaten van aandelen met een personeelslening en (voorwaardelijke) geldbonus te verwerven, is materieel gelijk aan het toekennen van een recht op certificaten tegen een prijs die (voorwaardelijk) lager is dan de waarde in het economisch verkeer. Dit recht is volgens de Kennisgroep bijzondere winstbepalingen VPB gelijk te stellen aan een recht om aandelen te verwerven als bedoeld art. 10 lid 1 onderdeel j Wet VPB 1969. De afwikkeling van dit recht vindt buiten de winstsfeer plaats.

De situatie gaat over X BV die een werknemersparticipatieregeling heeft voor haar werknemers. De regeling kent de volgende elementen:

  • De werknemer krijgt het recht om certificaten van aandelen in X BV te kopen tegen de waarde in het economische verkeer en de koopsom te financieren met een 10-jarige personeelslening.

  • Bij aankoop met de personeelslening krijgt de werknemer het voorwaardelijk recht op een jaarlijkse netto geldbonus. Deze geldbonus is gelijk aan de rente en aflossing van de personeelslening volgens het reguliere aflossingsschema.

  • De geldbonus wordt onvoorwaardelijk als aan bepaalde prestatievoorwaarden wordt voldaan.

  • Als de werknemer de personeelslening uit eigen middelen vervroegd aflost, heeft dit geen effect op de hoogte van de te ontvangen (voorwaardelijke) geldbonus.

  • Als de werknemer de certificaten gedurende de reguliere looptijd van de lening (deels) verkoopt, dan wordt de geldbonus dienovereenkomstig verlaagd.

De vraag is of het recht om certificaten van aandelen te kopen valt onder de niet-aftrekbaarheid van art. 10 lid 1 onderdeel j Wet VPB 1969.

Wetingang:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 10

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Editie: 29 april

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen