X woont in de onderhavige jaren in Roemenië en kwalificeert als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. X is gehuwd, maar X en zijn echtgenote wonen niet samen. In 2013 sluiten zij een overeenkomst waarin X zich verplicht maandelijks € 200 alimentatie en aanvullende zorgkosten te betalen. De echtgenote van X geniet geen Nederlands inkomen, doet in Nederland geen aangifte inkomstenbelasting en overlegt geen inkomensverklaring. X trekt in zijn aangifte IB/PVV onderhoudsverplichtingen en zorgkosten af. De inspecteur corrigeert de aangiften voor 2018 en 2021 en legt navorderingsaanslagen op voor 2019 en 2020. In geschil is of de echtgenote van X als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kan worden aangemerkt zodat X en zijn echtgenote fiscaal partners zijn.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de echtgenote van X niet kwalificeert als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Zij overlegt geen inkomensverklaring van de Roemeense belastingautoriteit, geniet geen Nederlandse inkomsten en doet geen Nederlandse aangifte. De rechtbank acht de voorwaarden van art. 7.8 Wet IB 2001 daardoor niet vervuld en past art. 1.2 lid 4 Wet IB 2001 toe. De rechtbank concludeert dat X en zijn echtgenote geen fiscaal partners zijn, zodat de (navorderings)aanslagen IB/PVV terecht zijn opgelegd. X heeft geen recht op aftrek voor onderhoudsverplichtingen en zorgkosten. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 1.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.3
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 7.8
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 29 april
Informatiesoort: VN Vandaag