X is enig aandeelhouder van A BV. In 2006 koopt A BV drie andere BV’s. De koop is gefinancierd met een lening bij de bank waarvoor X zich borg heeft gesteld. X en A BV hebben geen afspraken gemaakt over de borgstelling. Zo is er geen borgstellingsprovisie overeengekomen. In 2015 spreekt de bank X aan als borg voor in totaal € 340.000. X en de bank treffen een betalingsregeling. In geschil is of X in 2015 het betaalde bedrag van € 7.500 en het nog openstaande bedrag van € 332.500 als verlies uit TBS kan aanmerken.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2024/15.1.1) oordeelt dat in verband met de borgstelling geen verlies uit TBS in aanmerking kan worden genomen. De borgstelling is aangegaan uit aandeelhoudersmotief en speelt zich af in de kapitaalsfeer. Het hof heeft hierbij het arrest HR 17 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2984, BNB 2015/13, V-N 2014/54.12 als richtsnoer genomen. Het verlies vormt evenmin negatief loon. X' hoger beroep is ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.81
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.92
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Inkomstenbelasting, Loonbelasting
Editie: 29 april
Informatiesoort: VN Vandaag