Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur beschikt over een nieuw feit. De rechtbank overweegt daarbij dat de voorziening pas in de VPB-aangifte 2019 niet meer was opgenomen. De voorziening is bij X terecht in de IB-heffing betrokken.

X brengt zijn ontslagvergoeding van € 208.182 in zijn BV in. X en de BV sluiten daarbij een stamrechtovereenkomst. Per 30 december 2019 heeft de BV de boekhouding afgesloten en zich afgemeld als belastingplichtige voor de VPB. In de VPB-aangifte 2019, die is ingediend naar een belastbaar bedrag van nihil, worden de stamrechtvoorziening en de rekening-courantvordering van de BV op X niet meer vermeld. In 2022 deelt de inspecteur aan X mee dat hij een IB-navorderingsaanslag 2019 gaat opleggen. Volgens de inspecteur is namelijk sprake van afkoop / afzien van de aanspraak. De inspecteur betrekt vervolgens de volledige waarde van de voorziening in de heffing. X is het hier niet mee eens en stelt dat de inspecteur niet over het vereiste nieuwe feit beschikt. De inspecteur stelt daartegenover dat hij pas na de VPB-aangifte 2019 over informatie beschikte op basis waarvan geconcludeerd kon worden dat definitief van de lijfrenteaanspraak is afgezien.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur beschikt over een nieuw feit. De rechtbank overweegt daarbij dat de voorziening pas in de VPB-aangifte 2019 niet meer was opgenomen. Deze aangifte vormde voor de inspecteur aanleiding om te onderzoeken of de voorziening was afgekocht. Verder acht de rechtbank aannemelijk dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de primitieve IB-aanslag 2019 nog geen kennis had genomen van de VPB-aangifte 2019 en daar ook niet redelijkerwijs bekend mee kon zijn. Ook is de voorziening volgens de rechtbank terecht pas in 2019 in de heffing betrokken. Het standpunt van X dat dit al in 2002 of 2015 had moeten gebeuren wordt verworpen. De voorziening stond namelijk in de VPB-aangifte 2015 nog op de balans en was in de eerstvolgende ingediende VPB-aangifte, zijnde de aangifte over 2019, verdwenen. De navorderingsaanslag blijft in stand.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 11

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 19B

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Loonbelasting

Editie: 19 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

14

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen