Rechtbank Den Haag oordeelt dat het bezwaar van de heer X inhoudelijk ook is gericht tegen de aanslag die aan X ltd is opgelegd, zodat de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet mede gericht heeft geacht tegen deze aanslag. De inspecteur moet in zoverre dus een nieuwe uitspraak op bezwaar doen. Het beroep van X is voor het overige ongegrond.  

Belanghebbende, de heer X, exploiteert volgens het handelsregister van september 2008 tot april 2010 een eenmanszaak en is van april 2010 tot medio 2011 bestuurder van X ltd. X fungeert als stroman voor zijn stiefvader, die door een faillissement geen onderneming op zijn naam mag hebben. Voorts heeft X, die toen nog ICT-student was, de website van de ondernemingen gemaakt. In geschil is primair of de btw-naheffingsaanslag aan de juiste (rechts)personen is opgelegd. De naheffingsaanslag die aan X Ltd is opgelegd, staat volgens de inspecteur inmiddels onherroepelijk vast. Rechtbank Den Haag oordeelt dat het bezwaar van X inhoudelijk ook is gericht tegen de aanslag die aan X ltd is opgelegd, zodat de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet mede gericht heeft geacht tegen deze aanslag. De inspecteur moet in zoverre dus een nieuwe uitspraak op bezwaar doen. Voor wat betreft de andere aanslag wordt overwogen dat deze terecht is verminderd tot de btw die door X is teruggevraagd. Het maakt niet uit dat de stiefvader van X de feitelijke bestuurder van de eenmanszaak was. De 10% verzuimboete is ook terecht. Het beroep van X is deels gegrond.  

[Bron Uitspraak]

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Omzetbelasting

Instantie: Rechtbank Den Haag

Editie: 14 juli

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen