Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de heffingsambtenaar zich niet schuldig heeft gemaakt aan belastingheffing met terugwerkende kracht.

Belanghebbenden zijn ieder eigenaren van garageboxen. De heffingsambtenaar legt voor het jaar 2019 per garagebox een aanslag rioolheffing op van € 166,85, nadat jarenlang daarover niet is geheven. Belanghebbenden zijn daarover eerder geïnformeerd per brief in januari 2019. In september 2019 stelt de heffingsambtenaar een beleidsregel vast die met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 voorziet in een lager tarief voor garageboxen. De aanslagen zijn nadien opgelegd naar dat tarief van € 50 per garagebox.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de heffingsambtenaar zich niet schuldig heeft gemaakt aan belastingheffing met terugwerkende kracht. De verordening rioolheffing is vóór het belastbaar feit in werking getreden en de aanslagen zijn nadien opgelegd. De beleidsregel waarin het tarief is verminderd van € 166,85 naar € 50 heeft weliswaar terugwerkende kracht, maar dat is in het voordeel van belanghebbenden. Daarbij komt dat niet de beleidsregel maar de verordening de grondslag voor de heffing is. Dat de heffingsambtenaar jarenlang geen aanslag heeft opgelegd is geen reden om de aanslagen op grond van het vertrouwensbeginsel te vernietigen. De rechtbank verwerpt ook de grieven van belanghebbenden tegen de hoogte van het tarief.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Gemeentewet 228a

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Editie: 16 oktober

2

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen