Het hof oordeelt dat de gemaakte eigen verteerkosten geen ondernemingskosten zijn omdat de kosten een overheersend privékarakter hebben. De verblijfskosten zijn zakelijk omdat deze opkomen door werkzaamheden elders. De noodzaak tot eten bestaat ook als een ondernemer niet (tijdelijk) elders verblijft.

Belanghebbende, X, is consultant en voert zijn werkzaamheden uit vanuit zijn eenmanszaak. In 2014 huurt hij een studio in een andere plaats gedurende de periode dat hij daar werkzaamheden verricht. In 2015 huurt hij in een andere plaats een kamer in verband met zijn tijdelijke werkzaamheden aldaar. In zijn aangiften IB/PVV 2014 en 2015 neemt hij de verteerkosten, die hij tijdens beide perioden maakt, mee als zakelijke kosten. In hoger beroep is in geschil of deze gemaakte eigen verteerkosten kwalificeren als ondernemingskosten.

Het hof oordeelt in navolging van de rechtbank dat de gemaakte eigen verteerkosten geen ondernemingskosten zijn omdat de kosten een overheersend privékarakter hebben. De verblijfskosten zijn zakelijk omdat deze opkomen door werkzaamheden elders. Dit is anders bij verteerkosten, omdat de noodzaak tot eten ook bestaat als een ondernemer niet (tijdelijk) elders verblijft. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 3.15

Wet inkomstenbelasting 2001 3.8

Instantie: Hof Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 26 april

Informatiesoort: VN Vandaag

  868
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen