X werkt in 2021 loondienst en bezit een eigen woning. De inspecteur legt een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 op die leidt tot een terug te ontvangen bedrag. X doet aangifte naar een verzamelinkomen van € 30.603 en vervolgens een herziene aangifte naar een verzamelinkomen van € 25.756. De herziene aangifte leidt tot een tweede negatieve voorlopige aanslag. Op basis van het loon van € 32.683 en een bedrag aan hypotheekrente van € 2.885, zoals volgt uit de vooraf ingevulde aangifte en een renseignement, legt de inspecteur een definitieve aanslag op naar € 30.603 op met een te betalen bedrag van € 2.056 en € 106 belastingrente. X gaat in beroep.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X een procesbelang heeft, omdat een vermindering van de aanslag tot een gunstiger resultaat kan leiden. De rechtbank acht de gegevens in de VIA juist en ziet bevestiging in het renseignement en in de eerdere aangifte van X met een aangegeven loon van € 32.683. Het lagere loon in de herziene aangifte acht de rechtbank onjuist. X kan geen vertrouwen ontlenen aan de VIA of de voorlopige aanslagen en blijft zelf verantwoordelijk voor een juiste aangifte. De aanslag IB/PVV 2021 en de belastingrentebeschikking zijn tot de juiste bedragen vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 1 mei
Informatiesoort: VN Vandaag