X1 en X 2 erven na het overlijden van hun vader alle aandelen in Y BV die op haar beurt alle aandelen in Z BV bezit. De geconsolideerde balans van Y BV toont de balansposten liquide middelen, effecten en leningen aan derden. X1 en X2 doen namens hun overleden vader aangifte IB/PVV 2020 zonder melding van een fictieve vervreemding. Naar aanleiding van deze aangifte geeft de inspecteur aan dat sprake is van een fictieve vervreemding van een aanmerkelijk en dat hij meer informatie nodig heeft. Vervolgens dienen X1 en X2 een herziene aangifte in waarin: i) een beroep wordt gedaan op art. 4.17a Wet IB (‘doorschuifregeling’) en ii) een ondernemingsvermogen van € 1.055.069 wordt vermeld, waardoor het aangegeven voordeel uit aanmerkelijk belang nihil is. De inspecteur stelt na correspondentie een lagere waardering vast en rekent slechts een deel van de liquide middelen tot het ondernemingsvermogen. X1 en X2 stellen dat de balansposten ‘effecten’ en ‘leningen aan derden’ van Y BV als ondernemingsvermogen kwalificeren voor de doorschuifregeling. In beroep is in geschil of de balansposten 'effecten' en 'leningen aan derden' van Y BV ondernemingsvermogen vormen voor toepassing van de doorschuifregeling.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de X1 en X2 niet aannemelijk maken dat de effecten en leningen aan derden van Y BV ondernemingsvermogen vormen voor de toepassing van de doorschuifregeling. De stelling dat sprake was van onzekere tijden door corona is daarvoor niet genoeg. Zij hadden ten minste ook inzichtelijk moeten maken hoeveel liquide middelen nodig zouden zijn geweest om de onderneming draaiende te houden, daarbij eventueel rekening houdend met de destijds al enige tijd gaande coronacrisis. Dat na het overlijden van vader de (belasting)schulden van de onderneming zijn opgelopen, en dat nu nog steeds afbetaald wordt op uitgestelde belastingen, is niet voldoende om aannemelijk te maken dat op het moment van overlijden van vader in de onderneming ook de effecten en de leningen aan derden nodig waren voor de voortzetting van de onderneming. De beroep van X1 en X2 zijn ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.16
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.17A
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Belastingrecht algemeen, Inkomstenbelasting
Editie: 19 juni
Informatiesoort: VN Vandaag