X verkoopt onder meer zonnebrandproducten. Voor de zonnebrandproducten beschikt X niet over een handelsvergunning als bedoeld in de Geneesmiddelenwet (Gnw). De zonnebrandproducten kwalificeren ook niet als een geneesmiddel waarvoor op grond van art. 40 lid 3 onderdelen a tot en met g Gnw, geen handelsvergunning vereist is.
X is van mening dat op de levering van de zonnebrandproducten het verlaagde BTW-tarief van toepassing is, omdat uit HR 11 november 2016 ECLI:NL:HR:2016:2557, V-N 2016/60.19.11 volgt dat de zonnebrandproducten kwalificeren als geneesmiddelen als bedoeld in art. 1 lid 1 ondereel b Gnw. De zonnebrandproducten die X verkoopt zijn vergelijkbaar met de zonnebrandmiddelen uit dit arrest. Per 1 januari 2018 is de tekst van post a.6 Tabel II Wet OB 1968 gewijzigd, waardoor per genoemde datum een zogenoemde vergunningseis geldt. In geschil is of deze vergunningseis in strijd is met het Europese evenredigheidsbeginsel of het fiscaal neutraliteitsbeginsel.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het verlaagde BTW-tarief niet van toepassing is op de verkoop van zonnebrandproducten zonder handelsvergunning. De keuze van de Nederlandse wetgever om toepassing van het verlaagde tarief te beperken tot concrete en specifieke producten waarvoor een handelsvergunning is verleend is niet in strijd met het Europese evenredigheidsbeginsel en het fiscaal neutraliteitsbeginsel. Met de invoering van de vergunningseis vanaf 2018, is beoogd nauwer aan te sluiten bij de Geneesmiddelenwet. Door deze vergunningseis hoeft de inspecteur niet langer te beoordelen of een product moet worden aangemerkt als een geneesmiddel conform HR 11 november 2016,
ECLI:NL:HR:2016:2557, V-N 2016/60.19.11. Ook wordt voorkomen dat voor de BTW een andere definitie geldt dan voor de Geneesmiddelenwet. X’ beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 9
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Omzetbelasting, Europees belastingrecht
Editie: 19 juni
Informatiesoort: VN Vandaag