Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X zich ten onrechte beroept op de tekst van het echtscheidingsconvenant. In het betreffende jaar waren zij namelijk nog niet gescheiden.

Tussen X en zijn ex-partner is in februari 2020 de echtscheiding uitgesproken. Eind 2018 was hun eigenwoningschuld € 279.633 en in dat jaar was € 7978 rente betaald. X neemt voor 2018 het gehele bedrag van € 5.465 aan saldo inkomsten en aftrek eigen woning in aanmerking. Zijn ex-partner doet afzonderlijk aangifte voor 2018 en neemt daarin een bedrag van € 3.815 als eigen woningaftrek in aanmerking. In geschil is of de aftrek van X terecht is beperkt tot € 2733, zijnde de helft van de gezamenlijke eigenwoningaftrek.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X zich ten onrechte beroept op de tekst van het echtscheidingsconvenant en is bij de aangifte geen keuze voor een afwijkende verdeling gemaakt. In 2018 waren zij namelijk nog niet gescheiden. Volgens het convenant zullen beiden pas vanaf 2019 de daadwerkelijk zelf betaalde hypotheekrente aftrekken. Het beroep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 2.17

Wet inkomstenbelasting 2001 3.111

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 8 september

Informatiesoort: VN Vandaag

  637
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen