Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X ondanks overschrijding van de redelijke termijn geen recht heeft op immateriële schadevergoeding, omdat de procedure uitsluitend gaat om een nevenbeslissing over proceskosten.

X drijft een eenmanszaak. Op 29 december 2021 dient X een suppletieaangifte omzetbelasting 2019 in. De inspecteur legt op 26 maart 2022 een naheffingsaanslag 2019 op, verklaart het bezwaar daartegen later gegrond wegens een verkeerd tijdvak. Vervolgens legt de inspecteur op 27 augustus 2022 naheffingsaanslagen omzetbelasting 2017 en 2018 op. X maakt bezwaar, waarna de inspecteur op 7 maart 2025 de naheffingsaanslagen en belastingrente vermindert tot nihil en het verzoek om een forfait overstijgende kostenvergoeding afwijst.

In beroep is in geschil of X recht heeft op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een procedure die uitsluitend gaat om een nevenbeslissing over proceskosten.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de behandeling van bezwaar en beroep de redelijke termijn heeft overschreden, maar dat X toch geen recht heeft op immateriële schadevergoeding. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen tot nihil verminderd en ziet het beroep uitsluitend op de hoogte van de proceskostenvergoeding. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 concludeert de rechtbank dat bij de beoordeling van het financieel belang nevenbeslissingen buiten beschouwing blijven, zodat alleen een constatering van termijnoverschrijding volgt.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 1

Algemene wet bestuursrecht artikel 7.12

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Omzetbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 20 april

Informatiesoort: VN Vandaag

10

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen