Duitse algemeen nut beogend bedrijven hebben recht op fiscale voordelen indien bepaalde voorwaarden in acht worden genomen. Sinds 2020 gelden deze voordelen ook voor lichamen van openbaar nut (Servicekörperschaften) die rechtstreeks een statutair doel van algemeen nut nastreven door op planmatige wijze samen te werken met ten minste één lichaam zonder winstoogmerk dat in aanmerking komt voor die voordelen (servicelichamen). X is een dergelijk Duits servicelichaam en vordert erkenning dat haar statuten voldoen aan de voorwaarden voor lichamen zonder winstoogmerk die in aanmerking komen voor de fiscale voordelen. De Duitse rechter (het Bundesfinanzhof) stelt prejudiciële vragen in deze zaak. Het Bundesfinanzhof vraagt zich namelijk af of een en ander leidt tot staatssteun, en of dan sprake is van ‘nieuwe steun’, die vooraf bij de Europese Commissie moet worden aangemeld.
Advocaat-generaal Rantos concludeert dat Duitsland geen selectief voordeel verleent met de regeling waarbij aan servicelichamen een VPB-vrijstelling en een vrijstelling van bedrijfsbelasting wordt toegekend, zodat er geen sprake is van staatssteun. Er is echter wel sprake van een selectief voordeel, en dus staatssteun, wanneer recht bestaat op een verlaagd BTW-tarief. Er moet dan wel aan de overige voorwaarden worden voldaan. Verder merkt de A-G nog op dat, indien de fiscale voordelen staatssteun vormen, sprake is van ‘nieuwe steun’, die vooraf bij de Europese Commissie moet worden aangemeld.
Wetingang:
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 107
Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rubriek: Europees belastingrecht
Editie: 19 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag