De Hoge Raad oordeelt dat de inhouding van socialezekerheidspremies in Liechtenstein niet eraan afdoet dat het volledige brutoloon tot het fiscale loon moet worden gerekend. De Hoge Raad overweegt daarbij dat voor het genieten van loon niet is vereist dat het loon ook aan X wordt uitbetaald.

X, een Nederlandse Rijnvarende, werkt in 2016 en 2017 voor een Liechtensteinse vennootschap en vraagt vrijstelling van premie volksverzekeringen en voorkoming van dubbele belasting. De inspecteur weigert dit, verwijzend naar een A1-verklaring van de SVB die stelt dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Bij het opleggen van de aanslagen worden de ingehouden Liechtensteinse socialezekerheidspremies niet op het belastbare loon van X in aftrek gebracht en evenmin verrekend met de aanslagen. Ook zijn de Liechtensteinse premies niet overgemaakt naar de SVB. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de inspecteur, gezien de hem bindende A1-verklaring terecht premies heeft geheven. Het hof verlaagt het loon van X uiteindelijk nog wel. Volgens het hof ontbreekt ten aanzien van de ingehouden Liechtensteinse socialezekerheidspremies namelijk een genietingsmoment. In zoverre heeft X het brutoloon niet genoten. De staatssecretaris en X gaan in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat de inhouding van socialezekerheidspremies in Liechtenstein niet eraan afdoet dat het volledige brutoloon tot het fiscale loon moet worden gerekend. De Hoge Raad overweegt daarbij dat voor het genieten van loon niet is vereist dat het loon ook aan X wordt uitbetaald. De Hoge Raad wijst vervolgens op enkele situaties waarbij het loon geheel of ten dele wordt uitbetaald aan een derde. Voor deze gevallen geldt dat de werknemer dat loon geniet op het in art. 13a Wet LB 1964 aangewezen tijdstip, zoals dat ook geldt voor loon dat aan een werknemer zelf wordt uitbetaald. De premies zijn terecht tot het loon van X gerekend. Vervolgens stelt de Hoge Raad vast dat er ook geen LB-vrijstelling geldt voor de ingehouden Liechtensteinse premies. Het beroep in cassatie van de staatssecretaris is gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet financiering sociale verzekeringen artikel 57

Wet financiering sociale verzekeringen artikel 58

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 11

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 13A

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.146

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.2

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.84

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Internationaal belastingrecht, Internationale sociale zekerheid, Loonbelasting, Premieheffing

Editie: 27 april

Informatiesoort: VN Vandaag

50

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen