X woont in 2019 en 2020 in Italië en ontvangt in beide jaren een ZW-uitkering van het UWV van respectievelijk € 33.644 en € 5526. X doet aangifte IB/PVV 2019 en 2020 als buitenlandse belastingplichtige en vermeldt de ZW-uitkeringen volledig onder ‘elders belast’ waardoor het belastbaar inkomen nihil bedraagt. De inspecteur legt de primitieve aanslagen geautomatiseerd en conform de aangiften op. X dient bezwaar in tegen de primitieve aanslag 2020 en stelt zowel binnen als buiten Nederland geen inkomen te genieten. De inspecteur verklaart dit bezwaar niet ontvankelijk en wijst ambtshalve vermindering af. Vervolgens kondigt de inspecteur navordering aan en legt navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 vast met belastingrente. X stelt beroep in tegen de uitspraken op bezwaar.
In geschil is of de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 202 mag opleggen op grond van een kenbare fout zonder strijd met het verbod van reformatio in peius.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de primitieve aanslagen te laag zijn vastgesteld door geautomatiseerde verwerking van de aangiften en dat sprake is van een kenbare fout. De inspecteur heeft de aangiften niet handmatig beoordeeld, zodat geen sprake is van een welbewuste aanvaarding van de fout. Omdat de afwijking meer dan 30% bedraagt is de fout redelijkerwijs kenbaar. De rechtbank oordeelt dat het verbod van reformatio in peius niet geldt bij gebruik van een zelfstandige wettelijke bevoegdheid tot navordering. X' beroepen zijn ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.11
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 3 juni
Informatiesoort: VN Vandaag