Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de Nederlandse pensioenuitkeringen van de in Duitsland woonachtige belanghebbende na de inwerkingtreding van het nieuwe belastingverdrag met Duitsland terecht in Nederland zijn belast. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

X woont in Duitsland en ontvangt vier Nederlandse pensioenuitkeringen. Deze pensioenuitkeringen worden vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe belastingverdrag met Duitsland in 2016 in Nederland belast. Daarvóór zijn de pensioenen van X in Duitsland belast. X bestrijdt de opgelegde aanslag IB/PVV 2017 in verband met de belastingheffing over zijn pensioenen. Er zou sprake zijn van dubbele heffing, van schending van het discriminatieverbod en een onrechtmatige lastenverzwaring ten opzichte van het oude belastingverdrag.

Hof ’s-Hertogenbosch (V-N 2024/48.1.2) oordeelt dat Nederland als bronland geen verplichting heeft om voorkoming van dubbele belasting te verlenen. Het is aan woonland Duitsland om iets aan eventuele dubbele belastingheffing te doen. Ook van ongeoorloofde discriminatie is geen sprake bij het stellen van een grens van € 15.000 waarboven Nederlandse pensioenen in Nederland belast worden. Tot slot is er geen regel die verbiedt dat een nieuw belastingverdrag ongunstiger mag uitpakken dan het voorgaande. Het hoger beroep van X is ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen artikel 22

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Internationaal belastingrecht, Pensioenen

Informatiesoort: VN Vandaag

Editie: 6 mei

359

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen