De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
X handelt in schroot en sloopauto’s. Hij beschikt hiertoe over een vrachtauto met een hydraulische laadkraan. In 2016 en 2017 trekt X kosten af met betrekking tot de aanschaf van een gereviseerde kraan en de kosten voor het herstel van de laadbak. Volgens de inspecteur zijn de betreffende facturen, die contant door X zouden zijn voldaan, vals. In geschil zijn de navorderingsaanslagen in de IB-sfeer, alsmede de 50% vergrijpboeten. Rechtbank Gelderland matigt de boeten ambtshalve wegens het overschrijden van de redelijke termijn naar € 7130 (2016) en € 3003 (2017). X gaat in hoger beroep.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2024/38.1.1) oordeelt onder verwijzing naar de BTW-procedure (Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4605, V-N Vandaag 2024/1576) dat de facturen vals zijn en dat X de kosten dus niet van zijn winst kan aftrekken. Het hoger beroep is enkel gegrond, omdat de inspecteur hogere boeten heeft opgelegd dan vooraf was aangekondigd. De boeten worden – met inachtneming van de matiging door de rechtbank – verlaagd tot € 6213 (2016) en € 1554 (2017). De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 15 april
Informatiesoort: VN Vandaag