X is directeur en enig aandeelhouder van P BV. In 2021 ontvangt X van P BV een loon van € 46.999. Daarnaast heeft P BV een rekening-courantvordering op X van € 716.127. Ondanks meerdere verzoeken dient X geen aangifte IB/PVV 2021 in. Omdat de inspecteur daardoor niet kan beoordelen of het vermogen van X in verhouding staat tot de rekening-courantvordering, kwalificeert hij deze vordering als onzakelijk en merkt hij het bedrag aan als een uitdeling. De inspecteur legt vervolgens een ambtshalve aanslag IB/PVV 2021 op, zonder daarbij rekening te houden met een uitdeling. Daarna dient X alsnog een aangifte IB/PVV 2021 in, waarin eveneens geen uitdeling is opgenomen. De gemachtigde van X erkent vervolgens per e-mail dat de uitdeling in deze alsnog ingediende aangifte abusievelijk niet is vermeld. De inspecteur legt daarop een navorderingsaanslag op, waarin wel rekening wordt gehouden met de uitdeling. In geschil is of de inspecteur terecht op basis van het kenbaarheidsvereiste heeft nagevorderd, dan wel of sprake is van een beoordelingsfout.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat sprake is van een automatiseringsfout en geen beoordelingsfout. Er wordt voldaan aan het kenbaarheidsvereiste, nu de te weinig geheven belasting meer dan dertig procent van de verschuldigde belasting bedraagt en de inspecteur de correctie voorafgaand heeft aangekondigd. De inspecteur heeft terecht nagevorderd. Dat X alsnog een (niet juiste) aangifte IB/PVV 2021 heeft ingediend, maakt het voorgaande niet anders. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 8 juli
Informatiesoort: VN Vandaag