X doet aangifte IB/PVV 2020 naar een belastbaar inkomen van € 7479. De inspecteur legt een aanslag op naar € 38.117 met € 4104 aan ingehouden loonheffing. In de beroepsfase wordt de aanslag in stand gelaten maar wordt ambtshalve een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. X stelt vervolgens hoger beroep in waarin hij uitsluitend de hoogte van deze vergoeding bestrijdt.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de rechtbank de redelijke termijn correct heeft berekend door uit te gaan van een overschrijding van één week. Het hof neemt de motivering van de rechtbank over en bevestigt de forfaitaire vergoeding van € 500. Het hof stelt vast dat X niet opkomt tegen de aanslag zelf en dat geen ruimte bestaat voor vergoeding van materiële schade omdat het hoger beroep ongegrond is. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.66
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 12 mei
Informatiesoort: VN Vandaag