X is gehuwd met haar gemachtigde, die in het verleden bij de Belastingdienst heeft gewerkt. Eind 2017 sturen X, de echtgenoot en hun zoon een, door ieder van hen persoonlijk ondertekende, inkeermelding inzake verzwegen buitenlands vermogen naar de Belastingdienst. Volgens de melding staat de betreffende bankrekening op naam van de zoon, maar is het gehele vermogen van X en de echtgenoot. Zij exploiteren inmiddels in VOF-verband met hun zoon een belastingadvieskantoor. De inspecteur stelt dat na de inkeermelding onvoldoende informatie is verstrekt, zodat een informatiebeschikking is afgegeven. Deze beschikking is door de rechter grotendeels vernietigd (zie V-N 2024/6.14). In geschil zijn thans de navorderingsaanslagen over 2009 t/m 2014, alsmede de 120% vergrijpboeten, die op verzoek uitsluitend aan X zijn opgelegd.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de schending van het EU-verdedigingsbeginsel bij het aankondigen van de onderhavige aanslagen geen gevolgen heeft. X is weliswaar ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te bepleiten dat de aanslagen en boeten conform die van eerdere jaren vernietigd moeten worden, maar het is uitgesloten dat die stelling zou zijn gevolgd. De aanslagen zijn bovendien conform de eigen inkeermelding opgelegd. Er wordt dus niet voldaan aan het andere-afloopcriterium. De aanslagen zijn voorts tijdig en voldoende voortvarend opgelegd. Volgens de inkeermelding wist X dat haar aangifte van 2012 niet volledig was en op verzoek is het gehele buitenlands vermogen aan haar toegerekend, zodat de boeten terecht aan haar zijn opgelegd. Deze worden wegens het overschrijden van de redelijke termijn wel met 20% gematigd tot € 14.493 (2012), € 18.701 (2013) € 29.358 (2014) en zij krijgt een immateriële schadevergoeding van € 500.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67E
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 8 juli
Informatiesoort: VN Vandaag