Met dagtekening 13 september 2024 ontvangt X een voorlopige aanslag ib/pvv 2023. Het aanslagbiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 47.757, bestaande uit € 46.640 ib/pvv en € 1117 belastingrente, te voldoen uiterlijk 25 oktober 2024. Omdat betaling uitblijft, maant de ontvanger X op 20 november 2024 aan. Vervolgens laat de ontvanger op 16 januari 2025 een dwangbevel betekenen en brengt hij voor die betekening € 5353 aan kosten bij X in rekening. X maakt bezwaar tegen uitsluitend deze betekeningskosten en stelt daarna beroep in. In geschil is of de ontvanger de betekeningskosten van het dwangbevel tot de juiste hoogte in rekening heeft gebracht op grond van de Kostenwet.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de ontvanger de invordering van de voorlopige aanslag ib/pvv 2023 rechtmatig bij dwangbevel heeft laten plaatsvinden op grond van art. 12 Invorderingswet 1990. De ontvanger heeft betekeningskosten in rekening gebracht volgens het forfaitaire tarief van art. 3 Kostenwet. Partijen twisten niet over het feit dat het berekende bedrag met dat tarief overeenstemt. De Kostenwet biedt de rechtbank, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2009, geen ruimte om de proportionaliteit van deze kosten of de door X gewenste gelijkheid met privaatrechtelijke incassoregels te toetsen. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.
Wetingang:
Invorderingswet 1990 artikel 12
Kostenwet invordering rijksbelastingen artikel 1
Kostenwet invordering rijksbelastingen artikel 3