Belanghebbende, X, wordt door de ontvanger aansprakelijk gesteld voor belastingschulden van een BV over de periode februari 2021 tot en met maart 2023. De BV is actief in de transportsector. De aansprakelijkstelling bedraagt € 727.992, inclusief kosten en boetes.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het namens de BV gedane verzoek om corona-uitstel niet kan worden aangemerkt als een tijdige en rechtsgeldige melding van betalingsonmacht. Het corona-uitstel is ten onrechte aangevraagd, omdat de gestelde terugval in opdrachten niet aannemelijk is gemaakt; de omzet is juist fors gestegen. Het verzoek om een betalingsregeling van 1 mei 2023 kwalificeert wel als melding, maar is alleen tijdig voor de tijdvakken februari en maart 2023. Voor eerdere tijdvakken geldt daarom het wettelijke vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Ook voor de tijdvakken februari en maart 2023 is volgens de rechtbank sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur. X wist als bestuurder van de oplopende belastingschulden, terwijl aangiften regelmatig niet of te laat werden gedaan. Tegelijkertijd werden grote bedragen aan gelieerde vennootschappen betaald en ontving X privé ruim € 470.000 zonder duidelijke specificatie. De rechtbank acht ook de aansprakelijkheid voor kosten en boetes terecht. Matiging wegens draagkracht is wettelijk niet mogelijk. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Invorderingswet 1990 artikel 36
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Invordering
Informatiesoort: VN Vandaag
Editie: 6 mei
Dossiers: Corona