Naar aanleiding van het Kerst-arrest (Hoge Raad 24 december 2021, 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, V-N 2022/2.3) verzoekt X om ambtshalve vermindering van zijn IB-aanslagen 2017 - 2020. De verzoeken van X worden door de inspecteur geselecteerd voor de zogenoemde massaal bezwaar plus-procedure en afgewezen. De inspecteur wijst het bezwaar van X tegen de afgewezen verzoeken ook af, omdat de aanslagen van X onherroepelijk vaststonden ten tijde van het Kerst-arrest. X stelt dat hij zich niet beroept op het Kerst-arrest, maar op eerdere jurisprudentie en dat de inspecteur het Mei-arrest (Hoge Raad 20 mei 2022, 21/04407, ECLI:NL:HR:2022:720, V-N 2022/23.3) onjuist duidt.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur het Mei-arrest niet onjuist heeft geduid. Uit dit arrest volgt dat de niet-bezwaarmakers geen beroep op het Kerst-arrest kunnen doen. Het Kerst-arrest vormt namelijk nieuwe jurisprudentie. De niet-bezwaarmakers komen op grond van dat arrest dus niet voor rechtsherstel in aanmerking. Ook verwerpt de rechtbank de stelling van X dat de onjuistheid van de aanslagen volgt uit eerdere rechtspraak dan het Kerst-arrest. In verband met het beroep van X op enkele algemene beginselen van behoorlijk bestuur verwijst de rechtbank naar de uitspraak van Rechtbank Den Haag (26 juni 2025, 24/7087, ECLI:NL:RBDHA:2025:11718, V-N 2025/42.1.3). Deze beroepen treffen ook geen doel. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.6
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 artikel 45AA
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 20 april
Informatiesoort: VN Vandaag
Dossiers: Box 3