Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de dividenduitkering belastbaar is op grond van art. 17 lid 3 onderdeel b Wet VPB 1969. Na een uitgebreide toetsing aan de recente arresten van de Hoge Raad over deze materie stelt het hof vast dat de inspecteur voldoet aan zijn initiële bewijslast.

Het Luxemburgse A SA wordt in 1998 opgericht. Belanghebbende, X BV, is de rechtsopvolger van A SA. De aandelen X BV worden gehouden door het Luxemburgse SPF Y. A SA houdt de aandelen in B BV en C BV. In 2014 keert B BV een dividend van € 19 mln uit aan A SA. Vervolgens cedeert B BV een vordering op C BV aan A SA, waarvan de koopsom schuldig wordt gebleven. B BV en A SA komen daarop overeen dat de schuld van A SA wordt verrekend met de dividenduitkering. Naar aanleiding van informatie die de inspecteur ontvangt in het kader van de remigratie van de aandeelhouder van het concern, legt de inspecteur een VPB-navorderingsaanslag op aan X BV. Hij neemt daarbij de dividenduitkering in aanmerking als belastbaar inkomen uit een aanmerkelijk belang op grond van art. 17 lid 3 onderdeel b Wet VPB 1969. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de dividenduitkering niet kan worden belast op grond van art. 17 lid 3 onderdeel b Wet VPB 1969. X BV slaagt er in om het bewijsvermoeden dat voortvloeit uit de mogelijke vervulling van de subjectieve voorwaarde (de heffing van dividendbelasting bij een ander ontgaan) te ontzenuwen. Er is geen sprake van een volstrekt kunstmatige constructie.

Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de dividenduitkering belastbaar is op grond van art. 17 lid 3 onderdeel b Wet VPB 1969. Na een uitgebreide toetsing aan de recente arresten van de Hoge Raad over deze materie (25 april 2025, 22/04506, ECLI:NL:HR:2025:668, V-N 2025/20.19.10 en 22/04508, ECLI:NL:HR:2025:669, V-N 2025/20.6 en 18 juli 2025, 22/02691, ECLI:NL:HR:2025:1162, V-N 2025/34.8 en 22/02695, ECLI:NL:HR:2025:1163, V-N 2025/34.7) stelt het hof vast dat de inspecteur aan de hand van de wegdenkgedachte voldoet aan zijn initiële bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de subjectieve voorwaarde (de heffing van dividendbelasting bij een ander ontgaan) is voldaan. Het hof overweegt daarbij dat als B BV de dividenduitkering rechtstreeks had gedaan aan de aandeelhouder, deze uitkering zou zijn onderworpen aan 15% dividendbelasting en 15% IB. Met X BV in de structuur is er echter geen Nederlandse belastingheffing over de dividenduitkering. Met hetgeen X BV aanvoert slaagt zij er niet in om het tegenbewijs te leveren. Het hof oordeelt vervolgens ook dat de inspecteur beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en dat hij niet te laat is geweest met navorderen. Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 8

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 17

Instantie: Hof 's-Hertogenbosch

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Editie: 29 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

17

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen