Rechtbank Den Haag oordeelt dat X het in 2021 uitgekeerde levenslooptegoed in dat jaar geniet en loon- en inkomstenbelasting verschuldigd is. Er is geen sprake van schending van art. 1 EP EVRM, het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel.

X neemt via zijn werkgever deel aan een levensloopregeling en houdt tot oktober 2021 een levenslooptegoed bij een bank. X verzoekt zijn werkgever in maart 2020 om onbetaald verlof en wil dit financieren met het opgebouwde levenslooptegoed. De werkgever keurt dit eerst goed, maar trekt de goedkeuring later in vanwege de coronapandemie. In oktober 2021 bedraagt het levenslooptegoed € 94.055,42. Op 28 oktober 2021 keert de bank het volledige tegoed uit en houdt € 46.557,43 loonheffing in. X gaat in bezwaar en beroep.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat art. 39d Wet LB in 2021 een fictief genietingsmoment creëert op 1 november 2021 voor alle belastingplichtigen met een levensloopaanspraak. X heeft op die datum een levenslooptegoed en geniet dit daarom in 2021. De rechtbank volgt de lijn van Hof Den Haag 11 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:998, dat de regeling geen strijd oplevert met art. 1 EP EVRM, omdat de beëindiging van de levensloopregeling en het overgangsrecht toegankelijk en voorzienbaar zijn. X maakt niet aannemelijk dat sprake is van een individuele en buitensporige last. De weigering van het verlof door de werkgever wordt niet verooorzaakt door de fiscale wet- en regelgeving. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel of het evenredigheidsbeginsel. De toepassing van art. 39d Wet LB blijft in stand. Het beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 39D

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Loonbelasting

Editie: 16 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

12

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen