De inspecteur legt aan X aanslagen IB/PVV 2007 tot en met 2016 op, telkens met belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. X maakt in januari 2022 bezwaar tegen de vastgestelde box 3-inkomens. De inspecteur verklaart de bezwaren niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en wijst de verzoeken om ambtshalve vermindering af. De rechtbank oordeelt dat voor 2007 tot en met 2009 geen wettelijke grondslag voor ambtshalve vermindering bestaat en dat de verzoeken voor 2010 tot en met 2016 buiten de vijfjaarstermijn vallen.
In hoger beroep is in geschil of de inspecteur de te laat ingediende bezwaarschriften en verzoeken om ambtshalve vermindering desondanks moet honoreren gelet op het box 3-arrest van de Hoge Raad.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat X de bezwaar- en verzoektermijnen heeft overschreden en dat X geen omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die de overschrijdingen verschoonbaar maken. Een later arrest van de Hoge Raad over box 3 vormt geen reden om gesloten termijnen te heropenen. Het hof is niet bevoegd om de innerlijke waarde of billijkheid van wettelijke verjaringstermijnen te beoordelen en ziet geen bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft verdisconteerd. De functie van verjaringstermijnen is het verleden definitief af te sluiten en rechtszekerheid te bieden, met een gelijk risico voor X en de inspecteur. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.6
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 14
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 20 april
Informatiesoort: VN Vandaag