X ontvangt op 31 januari 2023 een voorlopige aanslag IB/PVV 2023 van € 9503. Na een wijzigingsverzoek legt de inspecteur een gewijzigde voorlopige aanslag op van € 55.677. X dient op 20 juni 2024 de aangifte IB/PVV 2023 in. De inspecteur legt de definitieve aanslag op met een te betalen bedrag van € 6662 en brengt € 120 belastingrente in rekening. De definitieve aanslag van de fiscale partner betreft een te ontvangen bedrag, zonder vergoeding van belastingrente. X gaat in bezwaar en beroep tegen de belastingrentebeschikking.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat iemand die belasting verschuldigd is zich niet in dezelfde positie bevindt als iemand die een teruggaaf ontvangt. Het verschil in behandeling vloeit voort uit het wettelijke systeem en vormt geen schending van het gelijkheidsbeginsel. Onder verwijzing naar HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59 , V-N 2026/5.21, oordeelt de rechtbank dat het percentage belastingrente voor de inkomstenbelasting evenmin in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De afhankelijkheid van een accountant voor het tijdstip van indienen van de aangifte komt voor rekening van X. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30FC
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 3 juli
Informatiesoort: VN Vandaag