Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de vermogensrendementsheffing vanaf het jaar 2017 op stelselniveau niet in strijd is met art. 1 EP EVRM. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van Hof 's-Hertogenbosch van 2 juli 2020.

X beschikt over € 207.000 aan bank- en spaartegoeden. Hij is hierover € 2126 aan vermogensrendementsheffing verschuldigd. X is van mening dat de box 3-heffing in strijd is met art. 1 EP EVRM. De inspecteur is van mening dat alleen de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last aan de orde kan komen, vanwege de splitsing van het bezwaar. De vraag of sprake is van schending van art. 1 EP EVRM op stelselniveau kan volgens hem slechts worden beantwoord in de procedures die zijn geselecteerd in het kader van een massaal bezwaarprocedure.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de vermogensrendementsheffing vanaf het jaar 2017 op stelselniveau niet in strijd is met art. 1 EP EVRM. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van Hof 's-Hertogenbosch van 2 juli 2020 (nr. 19/00781, V-N Vandaag 2020/1764). X slaagt er ook niet in om aan te tonen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. De rechtbank houdt hierbij rekening met de gehele financiële situatie van X. Volgens de rechtbank toont X niet aan dat de last van de box 3-heffing zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen voor personen in een vergelijkbare financiële situatie die een box 3-heffing betalen over een vergelijkbaar bedrag aan spaartegoeden. Niet van belang is dat X zijn vermogen in de toekomst nodig heeft om in zijn levensonderhoud te voorzien. Dit geldt ook voor het feit dat het werkelijk behaalde rendement vele malen lager is dan het forfaitaire rendement. Het gelijk is aan de inspecteur.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Wet inkomstenbelasting 2001 5.2

Informatiesoort: VN Vandaag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Editie: 14 september

7

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen