In Bulgarije loopt een strafprocedure tegen enkele personen die er onder andere van worden beschuldigd een georganiseerde criminele groep te hebben geleid. De strafbare gedragingen hebben betrekking op de BTW: het doen van valse BTW-aangiften, het gebruiken van valse facturen, belastingfraude en onrechtmatige aftrek. De Bulgaarse rechter stelt prejudiciële vragen in deze zaak. De vragen hebben betrekking op de verjaringstermijn. De eerste vraag betreft de door de Bulgaarse wetgever vastgestelde regeling inzake de verjaring van strafvervolging en de geschiktheid daarvan om een doeltreffende bestrijding van BTW-fraude te garanderen. De tweede betreft de rechtvaardiging, vanuit het oogpunt van het evenredigheidsbeginsel, van een regeling waarbij personen die overeenkomen om een strafbaar feit te plegen in bepaalde omstandigheden zwaarder worden gestraft dan personen die het feit daadwerkelijk plegen.
Advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona concludeert dat de absolute verjaringstermijn in Bulgarije voor de strafvervolging van misdrijven die de financiële belangen van de EU schaden niet in strijd is met het EU-recht. Dat deze termijn uitsluitend wordt bepaald aan de hand van de voor het feit in kwestie vastgestelde maximale vrijheidsstraf is niet van belang. Ook de regeling dat het organiseren zwaarder wordt bestraft dan het uitvoeren is niet in strijd met het EU-recht.
Wetingang:
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 325
Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Rubriek: Europees belastingrecht, Jaarrekening, Strafrecht
Editie: 4 mei
Informatiesoort: VN Vandaag