X ontvangt voor de jaren 2008 tot en met 2012 navorderingsaanslagen IB/PVV met heffingsrente en vergrijpboeten. De inspecteur verklaart het bezwaar ongegrond. X gaat in beroep. De rechtbank vermindert de vergrijpboeten met 20 percent wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar handhaaft de aanslagen. X gaat in hoger beroep en verzoekt daarnaast om een voorlopige voorziening nadat de ontvanger een dwangbevel uitreikt voor de aanslagen en voor aanslagen IB/PVV 2013 en 2016.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X geen spoedeisend belang aantoont voor schorsing van de navorderingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en vergrijpboeten. De door X gestelde onzekerheid van wanneer en waarop de Ontvanger invorderingsmaatregelingen gaat treffen, vormt geen grond voor spoedeisendheid. X kan in een verzetsprocedure bij de civiele rechter zich verweren tegen eventuele invorderingsmaatregelingen van de Ontvanger. Het hof oordeelt verder dat de aanslagen niet evident onrechtmatig zijn, mede gelet op de beoordeling door de rechtbank. Daarom wijst het hof het verzoek om voorlopige voorziening af.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.81
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.108
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 12 juni
Informatiesoort: VN Vandaag