De Hoge Raad verruimt de mogelijkheden van bestuursorganen en rechters om een nieuwe machtiging op te vragen.

Namens belanghebbende stelt [Y] B.V. hoger beroep in tegen een WOZ-beschikking 2022. Het dossier bevat een algemene, doorlopende volmacht uit 2022. Omdat Hof Den Haag twijfelt aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid, mede vanwege het tijdsverloop en het generieke karakter van de machtiging, krijgt [Y] B.V. tweemaal de gelegenheid een recente, specifieke machtiging te overleggen. De vervolgens ingediende machtiging ziet echter op de WOZ-beschikking 2024 en niet op het in geding zijnde jaar 2022. Hof Den Haag verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad verruimt de mogelijkheden van bestuursorganen en rechters om een nieuwe machtiging op te vragen. De bestuursrechter mag, met het oog op een goede rechtspleging, in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Daarbij is hij niet gebonden aan het oordeel van een rechter in een eerdere instantie over de machtiging. Deze bevoegdheid omvat onder meer dat de rechter een recente machtiging kan verlangen, een machtiging die dateert van na de bestreden uitspraak, en een machtiging die specifiek ziet op de procedure bij zijn gerecht. Voor het opvragen van een (nieuwe) machtiging geldt niet langer de eis dat er aanwijzingen bestaan dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde is geëindigd. In zoverre komt de Hoge Raad terug van HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:840, V-N 2013/50.6. Om te kunnen beoordelen of een schriftelijke machtiging is ondertekend door de rechtzoekende op wiens naam zij is gesteld, mogen bestuursorgaan en rechters om legitimatie van deze persoon vragen. Daarbij hoeven zij niet te motiveren waarom zij een recente machtiging en/of legitimatie vragen noch waarom zij bepaalde eisen aan de machtiging stellen. Indien niet tijdig aan het verzoek wordt voldaan, kan dit leiden tot niet-ontvankelijkheid. Het hof was bevoegd een nieuwe machtiging te verlangen en kon oordelen dat de overgelegde machtiging ontoereikend was. Het cassatieberoep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 2.1

Algemene wet bestuursrecht artikel 6.6

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.24

Burgerlijk Wetboek Boek 3

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 20 april

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

197

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen