X werkt voor een Zwitserse werkgever die met schepen voor de olie- en gasindustrie actief is. In zijn IB-aangifte 2020 claimt X aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. De aangifte wordt automatisch afgedaan. De inspecteur legt een IB-navorderingsaanslag op aan X. Hij beroept zich er daarbij op dat over eerdere jaren al procedures liepen over de aftrek en dat daarover uitvoerig is gecorrespondeerd met X. De inspecteur is in deze procedures uiteindelijk in het gelijk gesteld (Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1845, V-N 2022/2.9).
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de aanslag door een fout tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat deze fout kenbaar was voor X. Over de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting werd namelijk al geprocedeerd. Het was dan ook niet de bedoeling dat de aangifte van X automatisch zou worden afgedaan. De rechtbank overweegt daarbij onder andere dat X ervan op de hoogte was dat de inspecteur van mening was dat hij geen recht had op de opgevoerde aftrek elders belast voor zijn loon van zijn Zwitserse werkgever. Ook acht de rechtbank van belang dat de inspecteur er op heeft gewezen dat hetgeen X stelt ten aanzien van zijn werkzaamheden, en de wijze waarop het schip waarop hij werkzaam was werd geëxploiteerd, onvoldoende is om tot toepassing van art. 15 lid 3 Belastingverdrag Nederland - Zwitserland te komen. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Internationaal belastingrecht, Europees belastingrecht
Editie: 23 juni
Informatiesoort: VN Vandaag