X drijft een eenmanszaak. In zijn IB-aangifte 2020 voert X € 3551 op aan afschrijvingen op machines en installaties. Verder brengt hij € 20.252 aan auto- en transportkosten in aftrek. Na correspondentie met X corrigeert de inspecteur de aangifte. De inspecteur accepteert uiteindelijk € 711 aan afschrijvingskosten en € 6414 aan auto- en transportkosten. X is het hier niet mee eens.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de afschrijving waarmee de inspecteur rekening heeft gehouden eerder te hoog dan te laag is. X heeft namelijk recht op een afschrijving van € 587 (20% x € 2934) terwijl de inspecteur € 711 (20% x € 3551) aan afschrijvingskosten heeft geaccepteerd. Volgens de rechtbank heeft de inspecteur ten onrechte rekening gehouden met de BTW op de investeringen, die X al heeft teruggekregen. Ook beperkt de inspecteur de aftrek voor de auto- en transportkosten terecht tot € 6414. Volgens de rechtbank maakt X niet aannemelijk dat een hoger bedrag aan kosten in aanmerking zou moeten worden genomen. De inspecteur heeft zich namelijk gebaseerd op de door X verstrekte gegevens.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.25
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.30
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 23 juni
Informatiesoort: VN Vandaag