Tot de f.e. X c.s. behoren onder andere A BV en B BV. A BV verkoopt telefoonabonnementen aan consumenten. Consumenten wordt daarbij de gelegenheid geboden om een mobiel telefoontoestel te kopen, eventueel op krediet. Het krediet wordt verstrekt door B BV. Het krediet wordt in maandelijkse termijnen aan de consumenten in rekening gebracht. Een deel van de consumenten blijft in gebreke met het terugbetalen van het verstrekte krediet. Volgens X c.s. kan zij de verschuldigde BTW verminderen met de bedragen aan BTW ter zake van niet-betaalde termijnen. De inspecteur is het daar niet mee eens. Hof Den Haag oordeelt dat de maatstaf van heffing in verband met de levering van de telefoontoestellen bij niet-betaling van (een deel van) de maandelijkse termijnen moet worden verlaagd ex art. 29 lid 1 Wet OB 1968. Het hof overweegt daarbij dat het niet van belang is of A BV of B BV het telefoontoestel aan de consument levert, omdat zij deel uitmaken van een f.e. Het hof verwijst daarbij onder andere naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie. De staatssecretaris gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof er ten onrechte vanuit gaat dat de f.e. de contracten met derden aangaat. Volgens de Hoge Raad moet namelijk voor toepassing van art. 29 lid 1 Wet OB 1968 nog steeds een rechtstreekse verband komen vast te staan. De Hoge Raad overweegt daarbij dat het vanuit juridisch oogpunt niet de f.e. is die de contractuele betrekkingen met derden aangaat. Het zijn de leden van de f.e. die jegens derden de contractuele betrekkingen aangaan die bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte prestatie en de daarvoor in rekening gebrachte vergoeding. Het hof heeft de jurisprudentie van het Hof van Justitie op dit punt onjuist geïnterpreteerd. Volgens de Hoge Raad houdt dit dan ook in dat wanneer een f.e. als belastingplichtige vaststelt dat een vordering van een van haar leden op een derde oninbaar is, zij als de belastingplichtige art. 29 lid 1 Wet OB 1968 slechts kan toepassen als die vordering volgens de contractuele betrekkingen met die derde de vergoeding betreft die rechtstreeks verband houdt met de levering van het goed of het verrichten van de dienst waarvoor aan die derde BTW in rekening is gebracht die de f.e. op aangifte heeft voldaan. De zaak wordt verwezen naar Hof Amsterdam.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 7
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 8
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 29