X en Y kopen een eerste woning voor en betalen hiervoor overdrachtsbelasting tegen het tarief van 2%. Drie dagen vóór de levering van deze woning tekenen zij de koopovereenkomst voor een tweede woning, die later wordt geleverd. X verklaart bij beide leveringen dat zij de woningen anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. X en Y wonen circa vier maanden in de eerste woning en verhuizen daarna naar de tweede woning. De inspecteur verzoekt om informatie en legt vervolgens een naheffingsaanslag op, vermeerderd met belastingrente.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat zij op het moment van de verkrijging van de eerste woning nog de intentie heeft deze anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gebruiken. De eerdere aankoop van de tweede woning toont aan dat X reeds voornemens is te verhuizen. Het hof oordeelt verder dat geen sprake is van onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 15a lid 5 Wet BRV 1970 en dat een beroep op evenredigheidsbeginsel, doel en strekking, eigendomsrecht en vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het hof bevestigt de naheffingsaanslag.
Wetingang:
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 14
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 15A
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 28 mei
Informatiesoort: VN Vandaag