X verwerft in 2020 samen met zijn partner een villa voor € 810.000. De villa bestaat uit een woongedeelte en een voormalige inpandige praktijkruimte met zowel een eigen buiteningang als interne doorgangen naar het woongedeelte. De praktijkruimte is tot 2018 als huisartsenpraktijk in gebruik, waarna deze leeg komt te staan en de gehele onroerende zaak te koop is gezet. Over de volledige verkrijgingsprijs is 2% overdrachtsbelasting voldaan. De inspecteur is van mening dat voor de praktijkruimte het normale tarief van toepassing is en legt een naheffingsaanslag op. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en vernietigt de naheffingsaanslag. De inspecteur gaat in hoger beroep. Niet in geschil is dat ten tijde van de verkrijging de praktijkruimte tot het woongedeelte behoort.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de praktijkruimte behoort bij de woning, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is. Daarom kwalificeert deze als aanhorigheid in de zin van art. 14 lid 2 Wet BRV 1970. Dat de ruimte zich binnen dezelfde buitenmuren als het woongedeelte bevindt, verandert dit niet. Het hof verwerpt het standpunt van de inspecteur dat alleen een losstaand of aangebouwd bouwwerk een aanhorigheid kan zijn en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wetingang:
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 14
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 1 juni
Informatiesoort: VN Vandaag
Focus: Focus