De Hoge Raad verduidelijkt wanneer de redelijke termijn kan worden verlengd wegens het (proces)gedrag van de gemachtigde.

Belanghebbende, X, schakelt een gemachtigde in om op te komen tegen de vastgestelde WOZ-waarde. Rechtbank Midden-Nederland kent een immateriëleschadevergoeding (ISV) toe wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de standaardtermijn met dertien maanden is overschreden, verlengt de rechtbank deze met één jaar vanwege de beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde. Hof Arnhem-Leeuwarden ziet geen aanleiding voor verlenging van de redelijke termijn.

De Hoge Raad verduidelijkt wanneer de redelijke termijn kan worden verlengd wegens het (proces)gedrag van de gemachtigde. De termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep in eerste aanleg kan worden verlengd ingeval van bijzondere omstandigheden. In deze context gaat het dan om procesgedrag van de gemachtigde dat tot een zodanige vertraging heeft geleid dat het daarmee gemoeide tijdsverloop niet kan zijn verdisconteerd in de standaardtermijn van twee jaar. Bij de beoordeling moet worden gekeken naar de individuele zaak, al kan zaaksoverstijgend gedrag van de gemachtigde worden meegewogen als dit doorwerkt in die zaak. Indien sprake is van een dergelijke bijzondere omstandigheid, rechtvaardigt dit in beginsel verlenging van de redelijke termijn, zonder dat een nadere belangenafweging vereist is. De verlenging van de redelijke termijn moet wel in een redelijke verhouding staan tot het vertragende procesgedrag (vgl. HR 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3321, V-N 2014/61.8) en mag zo nodig schattenderwijs worden bepaald. De rechter moet zelf ook de voortgang bewaken maar hoeft geen op het specifieke procesgedrag van de gemachtigde afgestemde regie te voeren zoals het hof overwoog. De Hoge Raad concludeert dat het hof een te strenge maatstaf heeft gehanteerd. Capaciteitsgebrek bij de gemachtigde dat tot vertraging leidt, kwalificeert als bijzondere omstandigheid. De Hoge Raad stelt de redelijke termijn vast op drie jaar en stelt de ISV vast op € 500. Omdat de Staat tot een hoger bedrag is veroordeeld en daartegen geen cassatie is ingesteld, wordt het door de heffingsambtenaar te vergoeden bedrag op nihil gesteld.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.73

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.88

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 4 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

16

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen