Inleiding

De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 dat het forfaitaire stelstel van box 3 op stelselniveau in strijd is met het recht van eigendom en het gelijkheidsbeginsel waarvoor geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij de gerealiseerde rendementen. Naar aanleiding van het arrest biedt het kabinet rechtsherstel aan diverse doelgroepen. Het kabinet is voornemens om de box 3-heffing in 2023 en 2024 ook conform dit rechtsherstel uit te voeren. Deze pagina is gewijd aan dit rechtsherstel en de overbruggingswetgeving 2023 - 2024.

1. Collectieve uitspraak op bezwaar

Op 4 februari 2022 is een collectieve uitspraak op bezwaar gedaan voor de massaal bezwaarprocedures voor de jaren 2017 tot en met 2020 (Collectieve uitspraak op bezwaar IB 2017 tot en met 2020 • 04-02-2022 • 2022-35664 • Stcrt. 2022-4198). De collectieve uitspraak is op 4 februari 2022 gedaan omdat het wettelijk verplicht is om binnen zes weken na het arrest van de Hoge Raad een collectieve uitspraak op het massaal bezwaar te publiceren.

In de uitspraak worden de bezwaren toegewezen. De beslissing in de collectieve uitspraak geldt in ieder geval voor elke burger die rechtsgeldig bezwaar maakte binnen de massaal bezwaarprocedure alsmede voor alle aanslagen vanaf het jaar 2017 die vanaf 24 december 2021 zijn opgelegd of op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststonden.

2. Kamerbrief en besluit rechtsherstel

Op 28 april 2022 is in een Kamerbrief over rechtsherstel en overbruggingswetgeving box 3 • 28-04-2022 • 2022-0000132649 het rechtsherstel bekendgemaakt voor alle belastingplichtigen die tijdig bezwaar maakte in de massaal bezwaarprocedures en voor alle nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen en nog op te leggen aanslagen. Daarnaast wordt in de Kamerbrief ingegaan op de overbruggingswetgeving voor de jaren 2023 en 2024.

Op 30 juni 2022 is het Besluit rechtsherstel box 3 in de Staatscourant gepubliceerd (Besluit rechtsherstel box 3 • 28-06-2022 • 2022-176296 • stcrt. 2022-17063 (30-06-2022)). Dit besluit bevat de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 voor nog niet onherroepelijk vaststaande en nog niet vastgestelde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022.

3. Doelgroep rechtsherstel

In het Besluit rechtsherstel box 3 (Besluit rechtsherstel box 3 • 28-06-2022 • 2022-176296 • stcrt. 2022-17063 (30-06-2022)) is de volgende doelgroep voor het rechtsherstel opgenomen:

  1. Rechtsherstel wordt geboden aan drie groepen belastingplichtigen en uitsluitend voor aanslagen inkomstenbelasting voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022.
  2. Doelgroep 1 betreft belastingplichtigen die tijdig voor dat betreffende kalenderjaar een bezwaarschrift hebben ingediend tegen de aanslag inkomstenbelasting en van wie het bezwaar is aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c AWR.
  3. Doelgroep 2 betreft belastingplichtigen van wie een vastgestelde aanslag inkomstenbelasting op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond en die niet hebben meegelopen met de hiervoor genoemde massaalbezwaarprocedure én belastingplichtigen van wie een aanslag inkomstenbelasting na 24 december 2021 en voor de inwerkingtreding van dit besluit is vastgesteld zonder dat daarbij rekening is gehouden met het arrest van 24 december 2022.
  4. Doelgroep 3 betreft belastingplichtigen van wie de aanslag inkomstenbelasting bij de inwerkingtreding van dit besluit nog niet is vastgesteld.

Let op! Voor alle doelgroepen geldt dat het rechtsherstel alleen wordt geboden als het berekende nieuwe voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het op grond van de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen.

4. Tijdpad rechtsherstel

Uit de Kamerbrief over rechtsherstel en overbruggingswetgeving box 3 • 28-04-2022 • 2022-0000132649 kan het volgende tijdspad van het rechtsherstel ontleend worden:

  • Voor 4 augustus 2022 wordt via de zogenaamde forfaitaire spaarvariant automatisch rechtsherstel geboden voor alle belastingplichtigen die tijdig bezwaar maakte tegen de heffing in box 3 over de belastingjaren 2017 tot en met 2020.
  • Vanaf augustus 2022 worden tevens alle aanslagen over 2021 gefaseerd opgelegd. In augustus komt waarschijnlijk ook een nieuwe versie van de online aangifte 2021 beschikbaar. Belastingplichtige kunnen dan, indien gewenst bijvoorbeeld vanwege een andere verdeling tussen partners, opnieuw de aangifte 2021 indienen.
  • Aanslagen 2017 tot en met 2020 die op 24 december 2022 nog niet onherroepelijk vaststonden krijgen vanaf medio september 2022 rechtsherstel.
  • Is over de jaren 2017 tot en met 2020 nog geen aanslag opgelegd? Dan volgt rechtsherstel vanaf medio oktober 2022.

Voor het rechtsherstel hoeft geen nadere actie te worden ondernomen omdat het grotendeels geautomatiseerd plaatsvindt. De belastingplichtige ontvangt automatisch een vermindering van de aanslag. Als de aanslag niet wordt verminderd, ontvangt de belastingplichtige een besluit daarvan.

De planning van het herstel, zoals hiervoor weergegeven, is onder voorbehoud van onvoorziene complicaties.

Op 13 juli 2022 meldt de Rijksoverheid dat de Belastingdienst op schema is met de hersteloperatie box 3 en dat alle belastingplichtigen uit de eerste doelgroep voor 4 augustus een brief ontvangen waarin staat op welke wijze zij rechtsherstel ontvangen.

5. Niet-bezwaarmakers

Alle belastingplichtigen die niet (op tijd) bezwaar maakten, moeten nog even geduld hebben. De Staatssecretaris wilde het arrest van de Hoge Raad afwachten in een procedure waarvoor AG Niessen op 24 maart 2022 een nadere conclusie uitbracht (Aanvullende conclusie AG • 24-03-2022 • 21/04407 • ECLI:NL:PHR:2022:293). De Hoge Raad oordeelde op 20 mei 2022 in dit arrest (Hoge Raad • 20-05-2022 • 21/04407 • ECLI:NL:HR:2022:720) dat een belastingplichtige die te laat bezwaar maakte tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 en 2018, geen recht heeft op ambtshalve vermindering van de aanslag met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. De Hoge Raad oordeelde dat de in artikel 9.6 Wet IB 2001 juncto artikel 45aa, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen voorwaarde (dat geen ambtshalve vermindering wordt verleend indien de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald) is vervuld. Op 24 december 2021 waren de aanslagen al onherroepelijk en de Minister van Financiën heeft niet bekendgemaakt dat kan worden afgeweken van de in artikel 45aa, aanhef en letter b opgenomen voorwaarde.

In het Besluit rechtsherstel box 3 (Besluit rechtsherstel box 3 • 28-06-2022 • 2022-176296 • stcrt. 2022-17063 (30-06-2022)) wordt over een mogelijk rechtsherstel aan deze groep alleen het volgende opgemerkt: “Tenzij ik anders beslis, kan jurisprudentie die is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, geen aanleiding zijn om die aanslag ambtshalve te verminderen. Om die reden zal de inspecteur een verzoek (om rechtsherstel) afwijzen van een belastingplichtige die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen. Tegen deze afwijzing staat bezwaar en beroep open.”

Na een verzoek van de Tweede Kamer om op korte termijn met een uitwerking te komen van de verschillende scenario’s die mogelijk zijn om niet-bezwaarmakers tegen de box 3 heffing rechtsherstel te bieden (Aangenomen motie van het lid Inge van Dijk c.s. • 02-06-2022 • 32140 nr. 116), zei de staatssecretaris toe voor het zomerreces een brief aan de Tweede Kamer te sturen waarin wordt ingegaan op die verschillende scenario’s (Kamerbrief bij beleidsbesluit rechtsherstel box 3 • 30-06-2022 • 2022-0000180461).

Aan dit verzoek is op 8 juli 2022 voldaan (Nieuwsbericht Opties rechtsherstel niet-bezwaarmakers box 3 • 08-07-2022 en Kamerbrief over scenario’s herstel voor niet-bezwaarmakers box 3 • 08-07-2022 • 2022-0000186479). Er zijn verschillende scenario’s onderzocht:

  1. Geen rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers.
  2. Volledig rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers.
  3. Gedeeltelijk rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers in de volgende varianten:
    1. rechtsherstel volgens de forfaitaire spaarvariant met een maximum herstelbedrag,
    2. rechtsherstel volgens de forfaitaire spaarvariant tot aan een maximum vermogen,
    3. uitkering van een vast of variabel bedrag,
    4. verhoging van het heffingsvrije vermogen.

In de periode tot aan Prinsjesdag 2022 wordt nog onderzocht wat de gevolgen van de opties voor de uitvoering zijn. Het kabinet weegt daarbij ook of een oplossing rechtvaardig is en juridisch houdbaar. De budgettaire gevolgen wegen hier ook zeker mee. De staatssecretaris meldt nog dat het juridisch niet verplicht is om niet-bezwaarmakers te compenseren, maar dat hij het ook de mensen begrijpt die aangeven dat zij zich in hun rechtsgevoel gekrenkt voelen. De verwachting is dat het kabinet in augustus een keuze maakt en op Prinsjesdag bekend maakt of en zo ja hoe rechtsherstel geboden kan gaan worden.

Het wachten is nu dus op het besluit dat het kabinet hierover neemt.

De Tweede Kamer heeft de regering ook verzocht om het functioneren van de massaalbezwaarprocedure te onderzoeken en de mogelijkheden tot verbetering te bezien. Tot 2016 had een rechterlijke uitspraak binnen een massaalbezwaarprocedure namelijk nog uitwerking naar gelijke gevallen waarbij geen bezwaar was ingediend (Motie van het lid Grinwis c.s. • 02-06-2022 • 32140 nr. 114).

6. Forfaitaire spaarvariant

Rechtsherstel zal plaatsvinden volgens de zogenaamde forfaitaire spaarvariant (Kamerbrief over rechtsherstel en overbruggingswetgeving box 3 • 28-04-2022 • 2022-0000132649 en Besluit rechtsherstel box 3 • 28-06-2022 • 2022-176296 • stcrt. 2022-17063 (30-06-2022)). Voor de berekening van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen berekend volgens deze spaarvariant moeten vier stappen worden doorlopen.

Stap 1 – splitsen van de bezittingen en schulden in drie vermogenscategorieën
De bezittingen en schulden moet in drie vermogenscategorieën worden gesplitst:

  1. Vermogenscategorie 1: de banktegoeden van de belastingplichtige aan het begin van het kalenderjaar (hierna: op de peildatum). Dit zijn de binnenlandse en buitenlandse bank- en spaartegoeden.
  2. Vermogenscategorie 2: alle overige bezittingen als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, Wet IB 2001 van de belastingplichtige op de peildatum. Dit zijn de beleggingen, kapitaalverzekeringen, contant geld, uitgeleend geld en andere vorderingen, rechten op periodieke uitkeringen en overige bezittingen.
  3. Vermogenscategorie 3: schulden als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 van de belastingplichtige op de peildatum.

Stap 2 – berekenen van het rendement in de verschillende vermogenscategorieën
Vervolgens wordt het rendement berekend behorend bij de hiergenoemde drie vermogenscategorieën. Er wordt gewerkt met drie forfaits:

  1. Voor het belasten van vermogenscategorie 1 een forfait op basis van het gemiddelde van de maandelijkse percentages in het kalenderjaar van de gemiddelde rente op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal 3 maanden, zoals bijgehouden door De Nederlandsche Bank.
  2. Voor het belasten van vermogenscategorie 2 een forfait op basis van het forfaitaire rendementspercentage voor rendementsklasse II uit het wettelijke kader (artikel 5.2 Wet IB 2001) voor het desbetreffende kalenderjaar.
  3. Voor het belasten van vermogenscategorie 2 een forfait op basis van het gemiddelde van de maandelijkse percentages in het kalenderjaar van de gemiddelde rente op het totaal aan uitstaande hypotheken van huishoudens, zoals bijgehouden door De Nederlandsche Bank.

Het rendement op de verschillende vermogenscategorieën wordt vastgesteld aan de hand van de volgende forfaitaire rendementspercentages:

  2017 2018 2019 2020 2021
Spaargeld 0,25% 0,12% 0,08% 0,04% 0,01%
Schulden 3,43% 3,20% 3,00% 2,74% 2,46%
Beleggingen  5,39%  5,38%  5,59% 5,28%   5,69% 

 

De percentages voor 2022 zijn nog niet vastgesteld.

Het rendement wordt berekend door:

  1. het forfaitaire rendementspercentage van vermogenscategorie 1 vermenigvuldigt met de waarde van de bezittingen op de peildatum uit vermogenscategorie 1, plus
  2. het forfaitaire rendementspercentage van vermogenscategorie 2 vermenigvuldigt met de waarde van de bezittingen op de peildatum uit vermogenscategorie 2, minus
  3. het forfaitaire rendementspercentage van vermogenscategorie 3 vermenigvuldigt met de waarde van de schulden op de peildatum uit vermogenscategorie 3.

Als deze berekening op een negatief bedrag uitkomt, wordt het rendement op nihil gesteld.

Stap 3 – berekenen van het rendementspercentage
Het rendementspercentage wordt berekend door het in stap 2 berekende rendement te delen door de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid Wet IB 2001.

Stap 4 – berekenen van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen
Het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend door het in stap 3 berekende rendementspercentage te vermenigvuldigen met de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, tweede zin Wet IB 2001.

Bij partners wordt bij de toepassing van deze stappen uitgegaan van het in de aangifte inkomstenbelasting aan hen toegerekende gedeelte van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen.

Voor de verdeling van de extra uitgaven voor specifieke zorgkosten of extra aftrekbare giften, die voortvloeien uit een herrekening van het drempelinkomen door het na toepassing van het rechtsherstel gewijzigde voordeel uit sparen en beleggen, wordt aangesloten bij de door de fiscale partners in de aangifte gekozen verdeling van de uitgaven voor specifieke zorgkosten of de aftrekbare giften. Indien belastingplichtigen op andere wijze het extra bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten of het extra bedrag aan aftrekbare giften willen verdelen, kunnen zij hiervoor een verzoek om ambtshalve vermindering indienen bij de inspecteur waarin zij hun gezamenlijke keuze kenbaar maken.

In de bijlage bij het besluit zijn ter illustratie enkele rekenvoorbeelden uitgewerkt.

Bij binnenlandse belastingplichtigen met buitenlandse bezittingen en schulden voor wie op basis van een belastingverdrag of eenzijdige regeling recht bestaat op voorkoming van dubbele belasting, sluit de systematiek zoals die is opgenomen in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 niet volledig aan bij de berekeningswijze in het Besluit rechtsherstel box 3. Voor belastingplichtigen met buitenlandse bezittingen en schulden is daarom goedgekeurd dat, in afwijking van de berekeningswijze in het Besluit rechtsherstel box 3, gerekend wordt met de belasting, rendementen en het noemerinkomen volgens het Besluit rechtsherstel box 3 (Besluit rechtsherstel box 3, voorkoming dubbele belasting • 29-07-2022 • 2022-199150 • Stcrt 2022, 20318 (01-08-2022)):

  • In afwijking van artikel 24, tweede lid, Bvdb 2001, wordt de voorkomingsbreuk niet vermenigvuldigd met de op basis van de Wet IB 2001 over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigde belasting maar met de belasting die verschuldigd is over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen na toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3.
  • In afwijking van artikel 24, vijfde lid, onderdeel a, Bvdb 2001 wordt onder het forfaitaire rendement van de rendementsgrondslag in het buitenland verstaan: het rendement van de buitenlandse bezittingen, verminderd met het rendement van de buitenlandse schulden. Voor het bepalen van deze verschillende rendementen is hoofdstuk 3.1 van het Besluit rechtsherstel box 3 van overeenkomstige toepassing.
  • In afwijking van artikel 24, vijfde lid, onderdeel b, Bvdb 2001 wordt het noemerinkomen bepaald als: het belastbare inkomen uit sparen en beleggen na toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3.2

Bij de toepassing van deze goedkeuring blijven de overige bepalingen van afdeling 4 Bvdb 2001 onverkort van toepassing. Deze goedkeuring geldt uitsluitend voor situaties waarin toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3 resulteert in een verlaging van het voordeel uit sparen en beleggen.

Belastingplichtigen die aanspraak kunnen maken op deze goedkeuring hoeven hiertoe geen verzoek in te dienen. Zij ontvangen hierover van de inspecteur een bericht.

7. Rekenhulpen

De volgende rekentools zijn beschikbaar:

  • Het rekenmodel van de redacties TaxLive en Fiscaal Advies/Fiscaal Antwoord: Sparen en beleggen (box 3) 

    NB: deze tool toont een foutmelding via een pop-up die kan worden weggeklikt. De foutmelding heeft geen invloed op de juistheid van de berekening. Aan een oplossing wordt gewerkt.

    De tool kan de inkomstenbelasting (IB) over het voordeel uit sparen en beleggen (box 3) volgens het wettelijke systeem en volgens het rechtsherstel box 3 berekend worden. Het rekenmodel berekent eerst de grondslag sparen en beleggen en daarna de daarover verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 volgens het wettelijk systeem en het rechtsherstel box 3. Het model berekent ook of de berekening van het rechtsherstel box 3 voordeliger of nadeliger is dan het wettelijk systeem.

  • Met behulp van de online rekenhulp box 3-inkomen op de website van de Belastingdienst kan berekend worden of de Belastingdienst rechtsherstel biedt. Op de website van de Belastingdienst is ook een pagina met informatie over box 3 opgenomen.

  • In bepaalde gevallen kan een andere verdeling van de heffingsgrondslag sparen en beleggen leiden tot een grotere belastingteruggaaf. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar de column van Eric van Uunen op Taxlive.nl.

8. Verweer tegen rechtsherstel

Wat zijn de mogelijkheden als de belastingplichtige het niet eens is met het rechtsherstel? De Hoge Raad geeft op 20 mei 2022 (Hoge Raad • 20-05-2022 • 21/03587 • ECLI:NL:HR:2022:718) aanwijzingen voor de mogelijkheden als belastingplichtigen het niet eens zijn met het rechtsherstel. Een beroep tegen het rechtsherstel is volgens de wettelijke bepalingen rondom de massaal bezwaarprocedure niet mogelijk. De Hoge Raad geeft echter aan dat het wel mogelijk is om een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen tegen het toegepaste rechtsherstel. Als de Belastingdienst dit afwijst, kan hiertegen bezwaar en daaropvolgende beroep worden aangetekend.

In het Besluit rechtsherstel box 3 (Besluit rechtsherstel box 3 • 28-06-2022 • 2022-176296 • stcrt. 2022-17063 (30-06-2022)) wordt voor de verschillende doelgroepen ingegaan op de mogelijkheden van verweer tegen het rechtsherstel:

  1. Doelgroep 1: Het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, zijn niet voor bezwaar vatbaar. Als een belastingplichtige het niet eens is met het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, kan hij een verzoek om ambtshalve vermindering indienen.
  2. Doelgroep 2: Het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, zijn niet voor bezwaar vatbaar. Als een belastingplichtige het niet eens is met het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, kan hij een verzoek om ambtshalve vermindering indienen. Daarnaast kunnen er belastingplichtigen zijn die bij de inwerkingtreding van dit besluit nog bezwaar kunnen maken of dat reeds hebben gedaan.
  3. Doelgroep 3: Een belastingplichtige kan binnen zes weken na dagtekening van de aanslag inkomstenbelasting bezwaar maken bij de inspecteur. Daarnaast kan een belastingplichtige om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting verzoeken.

Het verzoek om ambtshalve vermindering moet zijn ingediend binnen vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

9. Lopende procedures

In hetzelfde arrest van 20 mei 2022 brengt de Hoge Raad een nuancering op een eerder arrest aan (Hoge Raad • 02-07-2021 • 20/03092 • ECLI:NL:HR:2021:963). Die nuancering houdt in dat de feitenrechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak is gedaan bij de behandeling van het (hoger) beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van de collectieve uitspraak op bezwaar van 4 februari 2022 mee mag nemen. Dit is anders als voor 4 februari 2022 de zaak al voorligt bij de Hoge Raad. De nuancering geldt dus alleen voor procedures bij rechtbank en gerechtshof.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (17-05-2022 • 21/00832 en 21/00833 • ECLI:NL:GHARL:2022:4030) houdt in een uitspraak van 17 mei 2022 rekening met de collectieve uitspraak en biedt de belanghebbende rechtsherstel door het rendement vast te stellen op het werkelijke rendement in plaats van het forfaitaire rendement.

10. Voorlopige aanslag IB 2022

De Belastingdienst legt in ieder geval voorlopig geen aanslagen IB op waarin box 3-inkomen is opgenomen. In de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2022 die opgelegd zijn, is overigens nog geen rekening gehouden met de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad. Dit zal hersteld worden bij het opleggen van de definitieve aanslag. De Belastingdienst voert een invorderingspauze in voor burgers met inkomen uit box 3 die hun voorlopige aanslag 2022 (deels) niet betalen omdat het arrest van de Hoge Raad hierin nog niet is verwerkt. Dit betekent dat er geen (dwang)invorderingsmaatregelen (zoals betalingsherinneringen en aanmaningen) worden genomen. Er zullen geen (dwang)invorderingsmaatregelen genomen worden en geen invorderingsrente gerekend worden bij overschrijding van de laatste betaaltermijn. De invordering blijft gepauzeerd tot het box 3-inkomen correct is vastgesteld, dus tot een nieuwe correcte VA 2022 is vastgesteld of tot een definitieve aanslag over belastingjaar 2022 is opgelegd. (Kamerbrief over gevolgen arrest box 3 voor lopende processen Belastingdienst • 28-02-2022 • 2022-0000069725 en Kamerbrief aanbod technische briefing box 3 • 05-04-2022 • 2022-0000113395)

11. Overbruggingswet

Voor de jaren 2023 en 2024 zal een wetsvoorstel overbruggingswet box 3 op basis van de forfaitaire spaarvariant ontworpen worden. Dit wetsvoorstel zal onderdeel zijn van het belastingplan dat op Prinsjesdag 2022 aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

12. Diverse aandachtspunten

  • In het arrest van 20 mei 2022 (Hoge Raad • 20-05-2022 • 21/04407 • ECLI:NL:HR:2022:720) bevestigt de Hoge Raad dat het arrest van 24 december 2021 alleen betrekking heeft op de heffing in box 3 vanaf het jaar 2017. Voor de jaren tot en met 2016 handhaaft de Hoge Raad dus de voordien gevormde rechtspraak. Rechtsherstel is in die jaren daarom alleen mogelijk als sprake is van een individuele en buitensporige last.
  • Doorwerking naar andere regelingen
    Rechtsherstel leidt ook tot aanpassing van het verzamelinkomen. Als de aanpassing van het verzamelinkomen doorwerkt naar andere belastingregelingen binnen de Belastingdienst, dan wordt dit bij het originele herstel in principe ook hersteld.

    Er wordt nog onderzocht of, en zo ja, in hoeverre erfbelasting zal moeten worden afgedragen over hetgeen verkrijgers ontvangen bij herstel box 3 van een reeds overleden persoon.

    In een Kamerbrief van 10 mei 2022 (Kamerbrief over regelingen waarop het rechtsherstel box 3 effect heeft • 10-05-2022 • 2022-0000140109) wordt een opsomming gegeven van de diverse (inkomensafhankelijke) regelingen waar doorwerking plaats kan vinden bij aanpassing van het verzamelinkomen naar aanleiding van het rechtsherstel box 3:
    • Kinderopvangtoeslag
    • Kindgebonden Budget
    • Zorgtoeslag
    • Ouderenkorting
    • Aanvullende Beurs
    • Tegemoetkoming uit de Wet tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Scholing (WTOS)
    • Draagkrachtberekening
    • Bijverdiengrens in het MBO
    • Inkomensafhankelijke hogere huurverhoging Verhuurders
    • Eigen Bijdrage WLZ/WMO

      Ook voor de volgende regelingen, die gebruik maken van het verzamelinkomen, zou een effect kunnen optreden:

    • Erfbelasting
      Wet op de Rechtsbijstand
      Energiebespaarlening via het Warmtefonds
    • de huurtoeslag.

      Een uitvoeringstoets zal volgens de staatssecretaris uitsluitsel moeten bieden. Voor de bepaling van de precieze effecten van het rechtsherstel box-3 op deze en mogelijk andere regelingen die gebruik maken van het verzamelinkomen, worden de geëigende stappen doorlopen: na besluitvorming wordt de uitvoerbaarheid getoetst door middel van een uitvoeringstoets. Uitgangspunt is dat waar dit doorwerkt naar regelingen die worden uitgevoerd door de Belastingdienst en DG Toeslagen dit bij het herstel automatisch wordt aangepast. Je klant hoeft hier dus geen actie voor te ondernemen. Over hoe dit er precies uitziet voor andere regelingen is de staatssecretaris in overleg met de departementen wier regelgeving het betreft.