Inleiding

Bijgewerkt op 14 oktober 2022

De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 dat het forfaitaire stelstel van box 3 op stelselniveau in strijd is met het recht van eigendom en het gelijkheidsbeginsel waarvoor geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij de gerealiseerde rendementen. Naar aanleiding van het arrest biedt het kabinet rechtsherstel aan diverse doelgroepen. Het kabinet is voornemens om de box 3-heffing in 2023, 2024 en 2025 ook conform dit rechtsherstel uit te voeren. Deze pagina is gewijd aan dit rechtsherstel en de overbruggingswetgeving 2023 - 2025.

1. Collectieve uitspraak op bezwaar

Op 4 februari 2022 is een collectieve uitspraak op bezwaar gedaan voor de massaal bezwaarprocedures voor de jaren 2017 tot en met 2020 (Collectieve uitspraak op bezwaar IB 2017 tot en met 2020 • 04-02-2022 • 2022-35664 • Stcrt. 2022-4198, V-N 2022/8.3, TaxVisions editie 11 februari 2022). De collectieve uitspraak is op 4 februari 2022 gedaan omdat het wettelijk verplicht is om binnen zes weken na het arrest van de Hoge Raad een collectieve uitspraak op het massaal bezwaar te publiceren.

In de uitspraak worden de bezwaren toegewezen. De beslissing in de collectieve uitspraak geldt in ieder geval voor elke burger die rechtsgeldig bezwaar maakte binnen de massaal bezwaarprocedure alsmede voor alle aanslagen vanaf het jaar 2017 die vanaf 24 december 2021 zijn opgelegd of op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststonden.

2. Kamerbrief en besluit rechtsherstel

Bijgewerkt op 29 november 2022

Op 28 april 2022 is in een Kamerbrief over rechtsherstel en overbruggingswetgeving box 3 • 28-04-2022 • 2022-0000132649 (V-N 2022/20.3, TaxVisions editie 6 mei 2022) het rechtsherstel bekendgemaakt voor alle belastingplichtigen die tijdig bezwaar maakte in de massaal bezwaarprocedures en voor alle nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen en nog op te leggen aanslagen.

Op 30 juni 2022 is het Besluit rechtsherstel box 3 in de Staatscourant gepubliceerd (Besluit rechtsherstel box 3 • 28-06-2022 • 2022-176296 • stcrt. 2022-17063, (30-06-2022), V-N 2022/34.3). Dit besluit bevat de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 voor nog niet onherroepelijk vaststaande en nog niet vastgestelde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022. Het Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 20-09-2022 (V-N 2022/43.6) is de wettelijke vertaling van het besluit rechtsherstel box 3 en werkt ook terug tot en met 1 juli 2022.

Op 12 oktober 2022 verschenen de Aanbiedingsbrief Nota naar aanleiding van het verslag pakket Belastingplan 2023 • 12-10-2022, de Nota naar aanleiding van het verslag Belastingplan 2023 • 12-10-2022, de Nota naar aanleiding van het verslag Wet Rechtsherstel box 3 • 12-10-2022 en de Nota van wijziging Wet rechtsherstel box 3 • 12-10-2022.

De Tweede Kamer stemde op 10 november 2022 met het wetsvoorstel in (Aanname door Tweede Kamer Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 10-11-2022). Staatssecretaris van Rij gaf op 25 november 2022 antwoord op vragen van de Eerste Kamer over het rechtsherstel box 3 in de Memorie van antwoord Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 25-11-2022.

3. Doelgroep rechtsherstel

In het Besluit rechtsherstel box 3 (Besluit rechtsherstel box 3 • 28-06-2022 • 2022-176296 • stcrt. 2022-17063 (30-06-2022), V-N 2022/34.3) is de volgende doelgroep voor het rechtsherstel opgenomen:

  1. Rechtsherstel wordt geboden aan drie groepen belastingplichtigen en uitsluitend voor aanslagen inkomstenbelasting voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022.
  2. Doelgroep 1 betreft belastingplichtigen die tijdig voor dat betreffende kalenderjaar een bezwaarschrift hebben ingediend tegen de aanslag inkomstenbelasting en van wie het bezwaar is aangewezen als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c AWR.
  3. Doelgroep 2 betreft belastingplichtigen van wie een vastgestelde aanslag inkomstenbelasting op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond en die niet hebben meegelopen met de hiervoor genoemde massaalbezwaarprocedure én belastingplichtigen van wie een aanslag inkomstenbelasting na 24 december 2021 en voor de inwerkingtreding van dit besluit is vastgesteld zonder dat daarbij rekening is gehouden met het arrest van 24 december 2022.
  4. Doelgroep 3 betreft belastingplichtigen van wie de aanslag inkomstenbelasting bij de inwerkingtreding van dit besluit nog niet is vastgesteld.

Let op! Voor alle doelgroepen geldt dat het rechtsherstel alleen wordt geboden als het berekende nieuwe voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het op grond van de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen.

4. Tijdpad rechtsherstel

Bijgewerkt op 28 oktober 2022

Uit de Kamerbrief over rechtsherstel en overbruggingswetgeving box 3 • 28-04-2022 • 2022-0000132649 (V-N 2022/20.3TaxVisions editie 6 mei 2022kan het volgende tijdspad van het rechtsherstel ontleend worden:

  • Voor 4 augustus 2022 wordt via de zogenaamde forfaitaire spaarvariant automatisch rechtsherstel geboden voor alle belastingplichtigen die tijdig bezwaar maakte tegen de heffing in box 3 over de belastingjaren 2017 tot en met 2020. Op 17 augustus 2022 is bekendgemaakt dat dit rechtsherstel volgens planning is afgerond (Nieuwsbericht Belastingdienst rondt eerste fase herstel box 3 af • 17-08-2022).
  • Vanaf 22 augustus 2022 tot en met half december 2022 worden alle aanslagen over 2021 gefaseerd opgelegd.
  • Aanslagen 2017 tot en met 2020 die op 24 december 2022 nog niet onherroepelijk vaststonden krijgen vanaf medio september 2022 rechtsherstel.
  • Is over de jaren 2017 tot en met 2020 nog geen aanslag opgelegd? Dan volgt rechtsherstel vanaf medio oktober 2022.

Voor het rechtsherstel hoeft geen nadere actie te worden ondernomen omdat het grotendeels geautomatiseerd plaatsvindt. De belastingplichtige ontvangt automatisch een vermindering van de aanslag. Als de aanslag niet wordt verminderd, ontvangt de belastingplichtige een besluit daarvan.

Op 13 juli 2022 meldt de Rijksoverheid dat de Belastingdienst op schema is met de hersteloperatie box 3 en dat alle belastingplichtigen uit de eerste doelgroep voor 4 augustus een brief ontvangen waarin staat op welke wijze zij rechtsherstel ontvangen. Dat is dus inmiddels gebeurd (Nieuwsbericht Belastingdienst rondt eerste fase herstel box 3 af • 17-08-2022).

Inmiddels is ook een nieuwe versie van de online aangifte 2021 van de Belastingdienst beschikbaar via Mijn Belastingdienst. In deze nieuwe versie wordt de box 3-heffing berekend volgens het wettelijke systeem én volgens het Besluit rechtsherstel box 3. De uiteindelijke box 3-heffing wordt vastgesteld op de laagste uitkomst van deze twee berekeningen. Belastingplichtige kunnen, indien gewenst bijvoorbeeld vanwege een andere verdeling tussen partners, opnieuw de aangifte 2021 indienen (zie ook Nieuwsbericht Belastingdienst rondt eerste fase herstel box 3 af • 17-08-2022). In bepaalde gevallen kan een andere verdeling van de heffingsgrondslag sparen en beleggen leiden tot een grotere belastingteruggaaf. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar de column van Eric van Uunen op TaxLive.

De Belastingdienst heeft op 20 oktober 2022 verschillende soorten brieven verstuurd aan belastingplichtigen, of aan hun belastingadviseurs, over de uitkomst van de nieuwe berekening in het kader van het rechtsherstel box 3. Voor meer informatie wordt verwezen naar Overzicht toelichtende brieven rechtsherstel box 3 over nieuwe berekening (TaxLive.nl) • 21-10-2022.

5. Niet-bezwaarmakers

Bijgewerkt op 29 november 2022

Alle belastingplichtigen die niet (op tijd) bezwaar maakten, moesten nog even geduld hebben. De Staatssecretaris wilde het arrest van de Hoge Raad afwachten in een procedure waarvoor AG Niessen op 24 maart 2022 een nadere conclusie uitbracht (Aanvullende conclusie AG • 24-03-2022 • 21/04407 • ECLI:NL:PHR:2022:293, V-N 2022/20.4). De Hoge Raad oordeelde op 20 mei 2022 in dit arrest (Hoge Raad • 20-05-2022 • 21/04407 • ECLI:NL:HR:2022:720, V-N 2022/23.3, TaxVisions editie 25 mei 2022) dat een belastingplichtige die te laat bezwaar maakte tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 en 2018, geen recht heeft op ambtshalve vermindering van de aanslag met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. De Hoge Raad oordeelde dat de in artikel 9.6 Wet IB 2001 juncto artikel 45aa, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen voorwaarde (dat geen ambtshalve vermindering wordt verleend indien de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald) is vervuld. Op 24 december 2021 waren de aanslagen al onherroepelijk en de Minister van Financiën heeft niet bekendgemaakt dat kan worden afgeweken van de in artikel 45aa, aanhef en letter b opgenomen voorwaarde.

In het Besluit rechtsherstel box 3 (Besluit rechtsherstel box 3 • 28-06-2022 • 2022-176296 • stcrt. 2022-17063 (30-06-2022), V-N 2022/34.3) werd over een mogelijk rechtsherstel aan deze groep alleen het volgende opgemerkt:

“Tenzij ik anders beslis, kan jurisprudentie die is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, geen aanleiding zijn om die aanslag ambtshalve te verminderen. Om die reden zal de inspecteur een verzoek (om rechtsherstel) afwijzen van een belastingplichtige die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen. Tegen deze afwijzing staat bezwaar en beroep open.”

Na een verzoek van de Tweede Kamer om op korte termijn met een uitwerking te komen van de verschillende scenario’s die mogelijk zijn om niet-bezwaarmakers tegen de box 3 heffing rechtsherstel te bieden (Aangenomen motie van het lid Inge van Dijk c.s. • 02-06-2022 • 32140 nr. 116), zei de staatssecretaris toe voor het zomerreces een brief aan de Tweede Kamer te sturen waarin wordt ingegaan op die verschillende scenario’s (Kamerbrief bij beleidsbesluit rechtsherstel box 3 • 30-06-2022 • 2022-0000180461).

Aan dit verzoek werd op 8 juli 2022 voldaan (Nieuwsbericht Opties rechtsherstel niet-bezwaarmakers box 3 • 08-07-2022 en Kamerbrief over scenario’s herstel voor niet-bezwaarmakers box 3 • 08-07-2022 • 2022-0000186479, V-N 2022/33.4). Er waren verschillende scenario’s onderzocht:

  1. Geen rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers.
  2. Volledig rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers.
  3. Gedeeltelijk rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers in de volgende varianten:
    1. rechtsherstel volgens de forfaitaire spaarvariant met een maximum herstelbedrag,
    2. rechtsherstel volgens de forfaitaire spaarvariant tot aan een maximum vermogen,
    3. uitkering van een vast of variabel bedrag,
    4. verhoging van het heffingsvrije vermogen.

In de periode tot aan Prinsjesdag 2022 werd nog onderzocht wat de gevolgen van de opties voor de uitvoering zijn. Het kabinet woog daarbij ook of een oplossing rechtvaardig is en juridisch houdbaar. De budgettaire gevolgen telden hier ook zeker mee. De staatssecretaris meldt nog dat het juridisch niet verplicht is om niet-bezwaarmakers te compenseren, maar dat hij het ook de mensen begrijpt die aangeven dat zij zich in hun rechtsgevoel gekrenkt voelen. De verwachting was al dat het kabinet in augustus een keuze zou maken.

Begin september meldden de media al dat dit besluit genomen was en dat aan de niet-bezwaarmakers geen rechtsherstel geboden zou gaan worden (zie onder meer het bericht Geen compensatie voor niet-bezwaarmakers in box 3-kwestie).

Even leek het nog dat het kabinet anders zou beslissen (lees het bericht Niet-bezwaarmakers box 3 kunnen alsnog hun gelijk halen via ambtshalve vermindering), maar op Prinsjesdag werd officieel bekend gemaakt dat de keuze was gemaakt om niet-bezwaarmakers niet te compenseren. Het kabinet heeft de budgettaire gevolgen, de juridische houdbaarheid en de uitvoeringsgevolgen van de verschillende scenario’s meegewogen. Daarbij is besloten om de beperkt beschikbare budgettaire middelen in te zetten voor het ondersteunen van de koopkracht van burgers en om geen herstel te bieden aan niet-bezwaarmakers. Verzoeken om ambtshalve vermindering zullen worden afgewezen, conform het arrest van de Hoge Raad (20-05-2022 • 21/04407 • ECLI:NL:HR:2022:720V-N 2022/23.3TaxVisions editie 25 mei 2022) (Nieuwsbericht Belastingplan 2023: belasting op arbeid en vermogen meer in balans • 20-09-2022 en Kamerbrief met toelichting besluit niet bezwaarmakers box 3 • 20-09-2022 • 2022-0000229353).

Lees in dit verband ook de column van Angelique Perdaems over het door de civiele rechter terugdraaien van de box 3-heffing door de formele rechtskracht te doorbreken. Overigens is de staatssecretaris van mening dat de formele rechtskracht niet zal worden doorbroken. De staatssecretaris geeft aan dat de Hoge Raad zich al over zo’n route heeft uitgelaten: de civiele rechter moet er in beginsel vanuit gaan dat een bestuursrechtelijke beschikking in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en de algemene rechtsbeginselen, als daartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan en deze niet is gebruikt. Die rechtsgang was er, maar daarvan is geen gebruikgemaakt. Volgens de staatssecretaris toetst de civiele rechter dan marginaal en zal alleen bij bijzondere omstandigheden de formele rechtskracht doorbreken. De staatssecretaris deelt niet de in de literatuur genomen stelling dat het aan de overheid is toe te rekenen dat de niet-bezwaarmaker geen gebruik heeft gemaakt van de bestuursrechtelijke ingang. Hetzelfde geldt voor de stellingen dat sprake zou zijn van een gebrekkige communicatie over de werking van de massaalbezwaarprocedure en een onjuiste voorlichting aan de Tweede Kamer bij het wijzigen van de massaalbezwaarprocedure per 1 januari 2016 (Antwoorden op Kamervragen uit wetgevingsoverleg Belastingplan 2023 • 20-10-2022).

De Tweede Kamer heeft de regering ook verzocht om het functioneren van de massaalbezwaarprocedure te onderzoeken en de mogelijkheden tot verbetering te bezien. Tot 2016 had een rechterlijke uitspraak binnen een massaalbezwaarprocedure namelijk nog uitwerking naar gelijke gevallen waarbij geen bezwaar was ingediend (Motie van het lid Grinwis c.s. • 02-06-2022 • 32140 nr. 114).

'Massaal bezwaar plus'-procedure voor niet-bezwaarmakers
Op 4 november 2022 is bekendgemaakt dat de groep niet-bezwaarmakers zelf niet in actie hoeft te komen. Het kabinet zegt toe dat alle niet-bezwaarmakers over de jaren 2017 tot en met 2020 automatisch aansluiten bij een nieuwe uitspraak van de Hoge Raad, mocht de Hoge Raad belastingplichtigen in een nieuwe procedure in het gelijk stellen. Deze nieuwe procedure gaat over de vraag of niet-bezwaarmakers in aanmerking komen voor rechtsherstel. Samen met de belangenorganisaties worden één of meer zaken geselecteerd die aan de belastingrechter worden voorgelegd (Nieuwsbericht Geen actie meer nodig voor niet-bezwaarmakers box 3 • 04-11-2022).

In de Kamerbrief over verzoeken om ambtshalve vermindering niet-bezwaarmakers box 3 • 04-11-2022 • 2022-0000270669 wordt nader ingegaan op dit besluit van het kabinet en de procedure. Zo is het op dit moment wettelijk nog niet mogelijk om een procedure massaal bezwaar aan te wijzen voor verzoeken tot ambtshalve vermindering. Daarom stelt het kabinet voor om de mogelijkheid van een procedure massaal bezwaar plus in te richten. Dit zal gebeuren met een nota van wijziging op het Belastingplanpakket 2023.

Net zoals bij de huidige procedure massaal bezwaar zal in deze 'massaal bezwaar plus'-procedure een zaak (of een aantal zaken) geselecteerd en aan de belastingrechter voorgelegd worden. De rest van de verzoeken wordt aangehouden en na afloop van de procedure met één collectieve beslissing afgedaan. Na het wettelijk van kracht worden van de massaal bezwaar plus procedure zal de staatssecretaris begin 2023 de aanwijzing voor de procedure massaal bezwaar plus doen. Hij zet in samenwerking met de belangenorganisaties de voorbereidingen voor de aanwijzing (zoals het formuleren van de rechtsvraag en het selecteren van een zaak of zaken) nu al in gang.

In de 2e nota van wijziging Overbruggingswet box 3 • 07-11-2022 is het voorstel tot inrichten van een massaalbezwaarplusprocedure opgenomen zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 4 november 2022.

In de Memorie van antwoord Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 25-11-2022 bevestigt staatssecretaris van Rij dat in de massaalbezwaarplusprocedure aan de rechter (uiteindelijk de Hoge Raad) de vraag zal worden voorgelegd of niet-bezwaarmakers in box 3, net zoals bezwaarmakers, in aanmerking komen voor rechtsherstel zoals bedoeld in het arrest van 24 december 2021. Alle niet-bezwaarmakers met box 3 inkomen over de jaren 2017-2020 kunnen aanspraak maken op het arrest van de Hoge Raad, mocht de Hoge Raad de belastingplichtingen in de proefprocedures van de massaalbezwaarplusprocedure in het gelijk stellen. Hiervoor hoeven de niet-bezwaarmakers geen verzoek te doen.

Als uit de massaalbezwaarplusprocedure volgt dat niet-bezwaarmakers in aanmerking komen voor rechtsherstel, worden de volgende stappen gezet:

  • De inspecteur doet eerst een collectieve uitspraak op de bezwaren en een collectieve beslissing op de ambtshalve verminderingsverzoeken die onder de massaalbezwaarplusprocedure vallen.
  • Daarna zal de inspecteur uit eigen beweging voor alle niet-bezwaarmakers voor de jaren 2017-2020 beoordelen of de aanslag verminderd moet worden. Het maakt hierbij niet uit of de niet-bezwaarmaker wel of niet een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan. De beoordeling of de aanslag moet worden verminderd vindt plaats op dezelfde wijze als voor de bezwaarmakers op basis van de Wet rechtsherstel box 3. De inspecteur is hierbij niet gebonden aan de vijfjaarstermijn voor ambtshalve vermindering. Ook aanslagen waarvan die vijfjaarstermijn op dat moment al verstreken is, worden door de inspecteur beoordeeld.
  • Alle niet-bezwaarmakers kunnen daarna opkomen tegen het geboden rechtsherstel door het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering. Ook hierbij zijn ze niet gebonden aan de vijfjaarstermijn voor ambtshalve vermindering. Als de termijn om een verzoek om ambtshalve vermindering al is verlopen op dat moment, zal aan de niet-bezwaarmakers een vergelijkbare termijn geboden worden om een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen zoals ook heeft opengestaan voor de bezwaarmakers.
  • Tegen een afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering staat vervolgens bezwaar en beroep open.

Op de vraag of en zo ja in welke gevallen aanslagen ook (verder) zullen worden verminderd indien naderhand zou blijken dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelt dat niet-bezwaarmakers en bezwaarmakers toch recht hebben op een (verdere) vermindering van de aanslag, geeft de staatssecretaris in de Memorie van antwoord Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 25-11-2022 geen antwoord.

6. Forfaitaire spaarvariant

Bijgewerkt 20 september 2022

Rechtsherstel zal plaatsvinden volgens de zogenaamde forfaitaire spaarvariant (Kamerbrief over rechtsherstel en overbruggingswetgeving box 3 • 28-04-2022 • 2022-0000132649 (V-N 2022/20.3TaxVisions editie 6 mei 2022), Besluit rechtsherstel box 3 • 28-06-2022 • 2022-176296 • stcrt. 2022-17063 (30-06-2022), V-N 2022/34.3 en Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 20-09-2022, V-N 2022/43.6). Voor de berekening van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen berekend volgens deze spaarvariant moeten vier stappen worden doorlopen.

Stap 1 – splitsen van de bezittingen en schulden in drie vermogenscategorieën
De bezittingen en schulden moet in drie vermogenscategorieën worden gesplitst:

  1. Vermogenscategorie 1: de banktegoeden van de belastingplichtige aan het begin van het kalenderjaar (hierna: op de peildatum). Dit zijn de binnenlandse en buitenlandse bank- en spaartegoeden.
  2. Vermogenscategorie 2: alle overige bezittingen als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, Wet IB 2001 van de belastingplichtige op de peildatum. Dit zijn de beleggingen, kapitaalverzekeringen, contant geld, uitgeleend geld en andere vorderingen, rechten op periodieke uitkeringen en overige bezittingen die geen banktegoeden zijn.
  3. Vermogenscategorie 3: schulden na aftrek van de schuldendrempel als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, Wet IB 2001 van de belastingplichtige op de peildatum.

Stap 2 – berekenen van het rendement in de verschillende vermogenscategorieën
Vervolgens wordt het rendement berekend behorend bij de hiergenoemde drie vermogenscategorieën. Er wordt gewerkt met drie forfaits:

  1. Voor het belasten van vermogenscategorie 1 een forfait op basis van het gemiddelde van de maandelijkse percentages in het kalenderjaar van de gemiddelde rente op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal 3 maanden, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank over een periode van elf maanden.
  2. Voor het belasten van vermogenscategorie 2 een forfait op basis van het forfaitaire rendementspercentage voor rendementsklasse II uit het wettelijke kader (artikel 5.2 Wet IB 2001) voor het desbetreffende kalenderjaar.
  3. Voor het belasten van vermogenscategorie 3 een forfait op basis van het gemiddelde rentepercentage over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken van huishoudens, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, over een periode van elf maanden.

Het rendement op de verschillende vermogenscategorieën wordt vastgesteld aan de hand van de volgende forfaitaire rendementspercentages:

  2017 2018 2019 2020 2021 2022   
Banktegoeden  0,25% 0,12% 0,08% 0,04% 0,01% pm
Schulden 3,43% 3,20% 3,00% 2,74% 2,46% pm
Overige bezittingen  5,39%  5,38%  5,59% 5,28%   5,69%  5,53% 

 

Let op!
De rendementspercentages voor banktegoeden en schulden voor 2022 kunnen pas na afloop van 2022 worden vastgesteld. De percentages worden namelijk gebaseerd op de gegevens over de periode van januari tot en met november van het kalenderjaar, waarbij de maand november dubbel wordt geteld. Door de rendementspercentages na afloop van het belastingjaar vast te stellen wordt het werkelijk in een kalenderjaar behaalde rendement zo goed mogelijk benaderd.

Het rendement wordt berekend door:

  1. het forfaitaire rendementspercentage van vermogenscategorie 1 vermenigvuldigt met de waarde van de bezittingen op de peildatum uit vermogenscategorie 1, plus
  2. het forfaitaire rendementspercentage van vermogenscategorie 2 vermenigvuldigt met de waarde van de bezittingen op de peildatum uit vermogenscategorie 2, minus
  3. het forfaitaire rendementspercentage van vermogenscategorie 3 vermenigvuldigt met de waarde van de schulden op de peildatum uit vermogenscategorie 3.

Als deze berekening op een negatief bedrag uitkomt, wordt het rendement op nihil gesteld.

Stap 3 – berekenen van het rendementspercentage
Het rendementspercentage wordt berekend door het in stap 2 berekende rendement te delen door de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid Wet IB 2001.

Stap 4 – berekenen van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen
Het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend door het in stap 3 berekende rendementspercentage te vermenigvuldigen met de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, tweede zin Wet IB 2001.

Bij partners wordt de belasting over het voordeel uit sparen en beleggen geheven door te heffen over het aan ieder toegerekende deel van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Voor het bepalen van het effectieve rendementspercentage wordt de gezamenlijke rendementsgrondslag op de peildatum van de belastingplichtige en zijn partner gehanteerd. Voor de bepaling van het rendement wordt uitgegaan van de gezamenlijke waarde van de banktegoeden, overige bezittingen en schulden. 

Uitgegaan wordt van het in de aangifte inkomstenbelasting aan de partners toegerekende gedeelte van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Als partners een andere verdeling willen, kunnen zij een gezamenlijk verzoek daartoe indienen tot het moment waarop de aanslagen van de belastingplichtigen en zijn partner onherroepelijk vaststaan. In de Mvt Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 20-09-2022 • pagina 5-6V-N 2022/43.6 wordt bevestigd dat geen mogelijkheid meer is om de verdeling te herzien als de aanslagen onherroepelijk vaststaan. Dit geldt ook voor belastingplichtigen van wie de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan op 4 februari 2022 bij het doen van de collectieve uitspraak op bezwaar.

Voor de verdeling van de extra uitgaven voor specifieke zorgkosten of extra aftrekbare giften, die voortvloeien uit een herrekening van het drempelinkomen door het na toepassing van het rechtsherstel gewijzigde voordeel uit sparen en beleggen, wordt aangesloten bij de door de fiscale partners in de aangifte gekozen verdeling van de uitgaven voor specifieke zorgkosten of de aftrekbare giften. Indien belastingplichtigen op andere wijze het extra bedrag aan uitgaven voor specifieke zorgkosten of het extra bedrag aan aftrekbare giften willen verdelen als de aanslagen al onherroepelijk vaststaan, kunnen zij hiervoor een verzoek om ambtshalve vermindering indienen bij de inspecteur waarin zij hun gezamenlijke keuze kenbaar maken (Mvt Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 20-09-2022 • pagina 6, V-N 2022/43.6). Voor de jaren 2021 en 2022 is het ook mogelijk een nieuwe aangifte in te dienen waarin de nieuwe gezamenlijke keuze kenbaar wordt.

Tip!
In het geautomatiseerde rechtsherstel worden zowel de groene spaartegoeden als de groene beleggingen als overige bezittingen aangemerkt. Groene spaartegoeden komen net als andere spaartegoeden echter in aanmerking voor het lagere forfait voor banktegoeden. Heeft iemand groene spaartegoeden dan kan diegene een verzoek om ambtshalve vermindering doen waarbij hij/zij aannemelijk maakt waar zijn/haar groene spaartegoeden/beleggingen uit bestaan en hoe de vrijstelling verdeeld moet worden over de spaartegoeden en de beleggingen (Mvt Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 20-09-2022 • pagina 4 • (voetnoot 6), V-N 2022/43.6). Ook met betrekking tot de toerekening van de vrijstelling voor groene beleggingen kan iemand een verzoek om ambtshalve vermindering doen. De vrijstelling voor groene beleggingen mag in dit verzoek verdeeld worden over de twee vermogenscategorieën, groene banktegoeden en groene beleggingen. Hierbij mag de vrijstelling eerst in mindering worden gebracht op de groene beleggingen. Het eventueel resterende deel van de vrijstelling wordt dan in mindering gebracht op de groene spaartegoeden (Mvt Wetsvoorstel Overbruggingswet box 3 • 20-09-2022 • pagina 6 en vervolg noot 9 op pagina 7, V-N 2022/43.10).

Bij binnenlandse belastingplichtigen met buitenlandse bezittingen en schulden voor wie op basis van een belastingverdrag of eenzijdige regeling recht bestaat op voorkoming van dubbele belasting, sluit de systematiek zoals die is opgenomen in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 niet volledig aan bij de berekeningswijze in het Besluit rechtsherstel box 3. Voor belastingplichtigen met buitenlandse bezittingen en schulden is daarom goedgekeurd dat, in afwijking van de berekeningswijze in het Besluit rechtsherstel box 3, gerekend wordt met de belasting, rendementen en het noemerinkomen volgens het Besluit rechtsherstel box 3 (Besluit rechtsherstel box 3, voorkoming dubbele belasting • 29-07-2022 • 2022-199150 • Stcrt 2022, 20318 (01-08-2022) en Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 20-09-2022, V-N 2022/43.6):

  • In afwijking van artikel 24, tweede lid, Bvdb 2001, wordt de voorkomingsbreuk niet vermenigvuldigd met de op basis van de Wet IB 2001 over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigde belasting maar met de belasting die verschuldigd is over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen na toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3.
  • In afwijking van artikel 24, vijfde lid, onderdeel a, Bvdb 2001 wordt onder het forfaitaire rendement van de rendementsgrondslag in het buitenland verstaan: het rendement van de buitenlandse bezittingen, verminderd met het rendement van de buitenlandse schulden. Voor het bepalen van deze verschillende rendementen is hoofdstuk 3.1 van het Besluit rechtsherstel box 3 van overeenkomstige toepassing.
  • In afwijking van artikel 24, vijfde lid, onderdeel b, Bvdb 2001 wordt het noemerinkomen bepaald als: het belastbare inkomen uit sparen en beleggen na toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3.2

Bij de toepassing van deze goedkeuring blijven de overige bepalingen van afdeling 4 Bvdb 2001 onverkort van toepassing. Deze goedkeuring geldt uitsluitend voor situaties waarin toepassing van het Besluit rechtsherstel box 3 resulteert in een verlaging van het voordeel uit sparen en beleggen.

Belastingplichtigen die aanspraak kunnen maken op deze goedkeuring hoeven hiertoe geen verzoek in te dienen. Zij ontvangen hierover van de inspecteur een bericht.

7. Rekenhulpen

Bijgewerkt op 12 augustus 2022

De volgende rekentools zijn beschikbaar:

  • Het rekenmodel van de redacties TaxLive en Fiscaal Advies/Fiscaal Antwoord: Sparen en beleggen (box 3) 

    NB: deze tool toont een foutmelding via een pop-up die kan worden weggeklikt. De foutmelding heeft geen invloed op de juistheid van de berekening. Aan een oplossing wordt gewerkt.

    De tool kan de inkomstenbelasting (IB) over het voordeel uit sparen en beleggen (box 3) volgens het wettelijke systeem en volgens het rechtsherstel box 3 berekend worden. Het rekenmodel berekent eerst de grondslag sparen en beleggen en daarna de daarover verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 volgens het wettelijk systeem en het rechtsherstel box 3. Het model berekent ook of de berekening van het rechtsherstel box 3 voordeliger of nadeliger is dan het wettelijk systeem.

  • Met behulp van de online rekenhulp box 3-inkomen op de website van de Belastingdienst kan berekend worden of de Belastingdienst rechtsherstel biedt. Op de website van de Belastingdienst is ook een pagina met informatie over box 3 opgenomen.

    Inmiddels is ook een nieuwe versie van de online aangifte 2021 van de Belastingdienst beschikbaar via Mijn Belastingdienst. In deze nieuwe versie wordt de box 3-heffing berekend volgens het wettelijke systeem én volgens het Besluit rechtsherstel box 3. De uiteindelijke box 3-heffing wordt vastgesteld op de laagste uitkomst van deze twee berekeningen. Belastingplichtige kunnen nu, indien gewenst bijvoorbeeld vanwege een andere verdeling tussen partners, opnieuw de aangifte 2021 indienen (zie ook Nieuwsbericht Belastingdienst rondt eerste fase herstel box 3 af • 17-08-2022).

  • In bepaalde gevallen kan een andere verdeling van de heffingsgrondslag sparen en beleggen leiden tot een grotere belastingteruggaaf. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar de column van Eric van Uunen op Taxlive.nl.

Tip!
De Belastingdienst heeft alleen de online aangifte voor het jaar 2021 aangepast met het rechtsherstel Box 3. Gebruik voor andere belastingjaren het rekenmodel: Sparen en beleggen (box 3) of de online rekenhulp box 3-inkomen op de website van de Belastingdienst.

8. Verweer tegen rechtsherstel

Bijgewerkt op 20 september 2022

Wat zijn de mogelijkheden als de belastingplichtige het niet eens is met het rechtsherstel? De Hoge Raad geeft op 20 mei 2022 (Hoge Raad • 20-05-2022 • 21/03587 • ECLI:NL:HR:2022:718, V-N 2022/23.3TaxVisions editie 25 mei 2022) aanwijzingen voor de mogelijkheden als belastingplichtigen het niet eens zijn met het rechtsherstel. Een beroep tegen het rechtsherstel is volgens de wettelijke bepalingen rondom de massaal bezwaarprocedure niet mogelijk. De Hoge Raad geeft echter aan dat het wel mogelijk is om een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen tegen het toegepaste rechtsherstel. Als de Belastingdienst dit afwijst, kan hiertegen bezwaar en daaropvolgende beroep worden aangetekend.

Overigens is het niet mogelijk om met een verzoek om ambtshalve vermindering te verzoeken om aan andere partnerverdeling. In de Mvt Wetsvoorstel Wet rechtsherstel box 3 • 20-09-2022 • pagina 5-6V-N 2022/43.6 wordt bevestigd dat de verdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen door fiscale partners kan worden herzien tot het moment waarop de aanslagen van de belastingplichtigen en zijn partner onherroepelijk vaststaan. Als de aanslagen onherroepelijk vaststaan is er geen mogelijkheid meer om de verdeling te herzien. Dit geldt ook voor belastingplichtigen van wie de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan op 4 februari 2022 bij het doen van de collectieve uitspraak op bezwaar.

In dit verband wordt ook verwezen naar de column van Eric van Uunen.

In het Besluit rechtsherstel box 3 (Besluit rechtsherstel box 3 • 28-06-2022 • 2022-176296 • stcrt. 2022-17063 (30-06-2022), V-N 2022/34.3) wordt voor de verschillende doelgroepen ingegaan op de mogelijkheden van verweer tegen het rechtsherstel:

  1. Doelgroep 1: Het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, zijn niet voor bezwaar vatbaar. Als een belastingplichtige het niet eens is met het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, kan hij een verzoek om ambtshalve vermindering indienen.
  2. Doelgroep 2: Het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, zijn niet voor bezwaar vatbaar. Als een belastingplichtige het niet eens is met het besluit tot vermindering van de aanslag inkomstenbelasting of het besluit dat geen rechtsherstel wordt geboden, kan hij een verzoek om ambtshalve vermindering indienen. Daarnaast kunnen er belastingplichtigen zijn die bij de inwerkingtreding van dit besluit nog bezwaar kunnen maken of dat reeds hebben gedaan.
  3. Doelgroep 3: Een belastingplichtige kan binnen zes weken na dagtekening van de aanslag inkomstenbelasting bezwaar maken bij de inspecteur. Daarnaast kan een belastingplichtige om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting verzoeken.

Het verzoek om ambtshalve vermindering moet zijn ingediend binnen vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

9. Lopende procedures

In hetzelfde arrest van 20 mei 2022 brengt de Hoge Raad een nuancering op een eerder arrest aan (Hoge Raad • 02-07-2021 • 20/03092 • ECLI:NL:HR:2021:963, V-N 2021/29.8, TaxVisions editie 9 juli 2021). Die nuancering houdt in dat de feitenrechter vanaf de datum waarop de collectieve uitspraak is gedaan bij de behandeling van het (hoger) beroep dat betrekking heeft op het individuele bezwaar, de gevolgen van de collectieve uitspraak op bezwaar van 4 februari 2022 mee mag nemen. Dit is anders als voor 4 februari 2022 de zaak al voorligt bij de Hoge Raad. De nuancering geldt dus alleen voor procedures bij rechtbank en gerechtshof.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (17-05-2022 • 21/00832 en 21/00833 • ECLI:NL:GHARL:2022:4030, V-N 2022/34.1.5) houdt in een uitspraak van 17 mei 2022 rekening met de collectieve uitspraak en biedt de belanghebbende rechtsherstel door het rendement vast te stellen op het werkelijke rendement in plaats van het forfaitaire rendement.

10. Voorlopige aanslag IB 2022

De Belastingdienst legt in ieder geval voorlopig geen aanslagen IB op waarin box 3-inkomen is opgenomen. In de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2022 die opgelegd zijn, is overigens nog geen rekening gehouden met de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad. Dit zal hersteld worden bij het opleggen van de definitieve aanslag. De Belastingdienst voert een invorderingspauze in voor burgers met inkomen uit box 3 die hun voorlopige aanslag 2022 (deels) niet betalen omdat het arrest van de Hoge Raad hierin nog niet is verwerkt. Dit betekent dat er geen (dwang)invorderingsmaatregelen (zoals betalingsherinneringen en aanmaningen) worden genomen. Er zullen geen (dwang)invorderingsmaatregelen genomen worden en geen invorderingsrente gerekend worden bij overschrijding van de laatste betaaltermijn. De invordering blijft gepauzeerd tot het box 3-inkomen correct is vastgesteld, dus tot een nieuwe correcte VA 2022 is vastgesteld of tot een definitieve aanslag over belastingjaar 2022 is opgelegd. (Kamerbrief over gevolgen arrest box 3 voor lopende processen Belastingdienst • 28-02-2022 • 2022-0000069725V-N 2022/14.3 en Kamerbrief aanbod technische briefing box 3 • 05-04-2022 • 2022-0000113395, V-N 2022/17.4)

11. Overbruggingswet

Bijgewerkt op 20 september 2022

Voor de jaren 2023, 2024 en 2025 is op Prinsjesdag 2022 een wetsvoorstel overbruggingswet box 3 op basis van de forfaitaire spaarvariant aan de Tweede Kamer aangeboden. Lees meer over dit wetsvoorstel in de dossierpagina Overbruggingswetgeving.

12. Diverse aandachtspunten

Bijgewerkt op 20 september 2022

  • Invorderingsrente
    Het Wetsvoorstel Wet delegatiebepaling geen invorderingsrente in specifieke gevallen • 20-09-2022V-N 2022/43.20 biedt een juridische grondslag om bij algemene maatregel van bestuur situaties aan te wijzen waarin er geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht, omdat het in rekening brengen van invorderingsrente door uitzonderlijke omstandigheden niet redelijk wordt geacht. Als zo’n situatie wordt in de Mvt specifiek benoemd de voorlopige aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2022 met belasting over inkomen uit sparen en beleggen (box 3-inkomen). Omdat bij deze voorlopige aanslagen geen rekening kon worden gehouden met het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 is besloten om de dwanginvordering van deze voorlopige aanslagen over het jaar 2022 niet aan te laten vangen. Zonder aanvullende maatregelen zou, ondanks dat aan belanghebbenden is gecommuniceerd dat zij de voorlopige aanslagen niet hoeven te voldoen, invorderingsrente in rekening worden gebracht. Daarom zal in het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (UBIW 1990) worden opgenomen dat er geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht bij in 2022 opgelegde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting over het jaar 2022 met box 3-inkomen zolang er sprake is van een invorderingspauze bij die aanslagen. Deze invorderingspauze wordt aangeboden tot het moment dat het box 3-inkomen in overeenstemming met het arrest van 24 december 2021 is vastgesteld.

  • Rechtsherstel jaren tot en met 2016
    In het arrest van 20 mei 2022 (Hoge Raad • 20-05-2022 • 21/04407 • ECLI:NL:HR:2022:720, V-N 2022/23.3TaxVisions editie 25 mei 2022) bevestigt de Hoge Raad dat het arrest van 24 december 2021 alleen betrekking heeft op de heffing in box 3 vanaf het jaar 2017. Voor de jaren tot en met 2016 handhaaft de Hoge Raad dus de voordien gevormde rechtspraak. Rechtsherstel is in die jaren daarom alleen mogelijk als sprake is van een individuele en buitensporige last.
  • Doorwerking naar andere regelingen
    Rechtsherstel leidt ook tot aanpassing van het verzamelinkomen. Als de aanpassing van het verzamelinkomen doorwerkt naar andere belastingregelingen binnen de Belastingdienst, dan wordt dit bij het originele herstel in principe ook hersteld.

    Er wordt nog onderzocht of, en zo ja, in hoeverre erfbelasting zal moeten worden afgedragen over hetgeen verkrijgers ontvangen bij herstel box 3 van een reeds overleden persoon.

    In een Kamerbrief van 10 mei 2022 (Kamerbrief over regelingen waarop het rechtsherstel box 3 effect heeft • 10-05-2022 • 2022-0000140109) wordt een opsomming gegeven van de diverse (inkomensafhankelijke) regelingen waar doorwerking plaats kan vinden bij aanpassing van het verzamelinkomen naar aanleiding van het rechtsherstel box 3:
    • Kinderopvangtoeslag
    • Kindgebonden Budget
    • Zorgtoeslag
    • Ouderenkorting
    • Aanvullende Beurs
    • Tegemoetkoming uit de Wet tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Scholing (WTOS)
    • Draagkrachtberekening
    • Bijverdiengrens in het MBO
    • Inkomensafhankelijke hogere huurverhoging Verhuurders
    • Eigen Bijdrage WLZ/WMO

      Ook voor de volgende regelingen, die gebruik maken van het verzamelinkomen, zou een effect kunnen optreden:

    • Erfbelasting
      Wet op de Rechtsbijstand
      Energiebespaarlening via het Warmtefonds
    • de huurtoeslag.

      Een uitvoeringstoets zal volgens de staatssecretaris uitsluitsel moeten bieden. Voor de bepaling van de precieze effecten van het rechtsherstel box-3 op deze en mogelijk andere regelingen die gebruik maken van het verzamelinkomen, worden de geëigende stappen doorlopen: na besluitvorming wordt de uitvoerbaarheid getoetst door middel van een uitvoeringstoets. Uitgangspunt is dat waar dit doorwerkt naar regelingen die worden uitgevoerd door de Belastingdienst en DG Toeslagen dit bij het herstel automatisch wordt aangepast. Je klant hoeft hier dus geen actie voor te ondernemen. Over hoe dit er precies uitziet voor andere regelingen is de staatssecretaris in overleg met de departementen wier regelgeving het betreft.